Feature —

De mythe van de grachtengordel

Oene Dijk

Terwijl op 10 december 2010 de studenten demonstreren en oprukken naar het mythische Maagdenhuis, buigt in het nabijgelegen debatcentrum van de Universiteit van Amsterdam, Spui 25, een select gezelschap zich over de vraag of aan de zeventiende-eeuwse stadsuitleg van Amsterdam een stedenbouwkundig masterplan ten grondslag lag. Is de mythe van de grachtengordel wel een werkelijkheid?

Amstelodami Celeberrimi Hollandiae Emporii Delineatio Nova - J.Blaeu, 1649
Amstelodami Celeberrimi Hollandiae Emporii Delineatio Nova – J.Blaeu, 1649

De mythe van de grachtengordel bestaat er uit dat deze als een eenheid is ontworpen en aangelegd. Maar was er in werkelijkheid niet juist sprake van een gefaseerde aanleg?

Aanleiding voor het debat is de publicatie van het proefschrift van Jaap Evert Abrahamse, De Grote Uitleg van Amsterdam – Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw. Abrahamse gaat deze middag onder leiding van Lex Bosman (hoogleraar architectuurgeschiedenis UvA) in debat met Maurits de Hoog (stedenbouwkundige DRO Amsterdam) en Boudewijn Bakker (voormalig conservator Stadsarchief Amsterdam). Bakker vervangt de verhinderde Ed Taverne. Deze voormalig hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de RUG en auteur van de dissertatie In ’t land van belofte: in de nieuwe stadt. Ideaal en werkelijkheid van de stadsuitleg in de Republiek 1580-1680 wordt node gemist, want een debat – althans in de zin van tegengestelde meningen die verdedigd en aangevallen worden – komt niet echt van de grond.

In zijn inleiding probeert Bakker nog enigszins te spreken van een masterplan, waarbij de zeventiende-eeuwse, vaak door Italianen geschreven theorieën over de ideale stad aangehaald worden. Zijn bewering is dat het Amsterdamse stadsbestuur van begin af aan naast praktische ook esthetische eisen aan de uitbreiding stelde. Abrahamse is het daarmee eens, maar legt het accent net iets anders en citeert uit zijn proefschrift. Volgens hem kan dit namelijk slechts tot één conclusie leiden: er heeft geen masterplan ten grondslag gelegen aan de stadsontwikkeling van Amsterdam. “De plattegrond van de derde vergroting is een assemblage van fragmenten en structuren die in kleinere en minder regelmatig vorm ook in de oude stad terug te vinden zijn” (zie De Grote Uitleg van Amsterdam, pagina 341). Het ging bij de derde vergroting (1600-1650) om drie elementen, in orde van belangrijkheid: nut, profijt en schoonheid. De uitleg vertoont de ruimtelijke karakteristieken van een nieuwe economische orde en staat daarmee haaks op de latere Nederlandse traditie van geleide planeconomie op het gebied van woningbouw. De vrijheid die de derde uitleg bood leidt ruim drieëneenhalve eeuw later bij velen tot ongeloof, zoals Abrahamse laatst ervoer tijdens een lezing voor de stedenbouwkundige dienst van Almere: “zulke eenvoudige, liberale regels…?”

Maurits de Hoog wil het vooral leuk houden deze middag en roemt in zijn inleiding de Stadstimmerfabriek, die met veel minder mensen dan de huidige DRO zo’n mooie stad heeft nagelaten. Een stad met twee zijden, Oost en West. De kwaliteit van de uitleg aan de westkant is bekend, maar de oostkant, de waterstad met de fraaie eilanden, mag ook wel eens de aandacht krijgen die het verdient, aldus De Hoog. Voorts rept hij nog over de vooruitziende blik van de Stadstimmerfabriek, wat betreft flexibiliteit en uitgroeimogelijkheid. Deze mogelijkheid bevindt zich – en daar zijn de heren het over eens – in de bekende modelplattegrond van een Hollandse handelsstad van Simon Stevin in Materiae Politicae. Burgherlicke Stoffen uit 1649.

Met het noemen van Stevin kan de discussie over de mogelijke invloed van de citta ideale gestart worden. Hier wordt de afwezigheid van Taverne sterk gevoeld, want wat zou hij vinden van de kritiek van Abrahamse op zijn betoog? “Er ontbreekt een essentieel onderdeel in zijn (Taverne) redenering, namelijk de invloed van de citta ideale zoals die in het eerste deel van zijn boek wordt besproken op de realiteit van de Amsterdamse stadsuitbreidingen.” (zie De Grote Uitleg van Amsterdam, pagina 31). De wel aanwezige uitgever van Taverne’s dissertatie, Gary Schwartz, is benieuwd naar het vernieuwende element van Abrahamse's aanpak in vergelijking tot die van Taverne. Abrahamse noemt vooral het directe bronnenonderzoek: daar waar Taverne zich beriep op het bronnenonderzoek van anderen, ging Abrahamse zelf de archieven in. Overigens betrof Taverne's studie in eerste instantie Haarlem, waarvoor hij wel direct bronnen- en archiefonderzoek deed, en dat na stimulering van zijn promotoren dit werd uitgebreid met o.a. Amsterdam.

Abrahamse benadrukt nogmaals de drie overwegingen die aan de Amsterdamse stadsuitleg ten grondslag lagen, en toont zich bewust van het feit dat deze drie basisbegrippen al door Leon Baptista Alberti genoemd worden: firmitas, utilitas en venustas, tot nut, sieraad en profijt van de stad. Functionaliteit, esthetiek en financieel rendement waren, apart of in wisselende combinaties, de motieven voor de stadsontwikkeling. De planmatige uitbreiding van Amsterdam in de zeventiende eeuw was een stedenbouwkundige noodzaak, niet een artistieke keuze. Volgens Abrahamse ligt de mythe veel meer in de veronderstelling dat “iets zo moois als de grachtengordel alleen ontstaan kan zijn door één meesterhand”. Met deze woorden haast ik me richting een café in de grachtengordel. En merk dat het studentenprotest is opgelost en verspreid over de Amsterdamse horeca, waarmee de mythe van de eeuwig debatterende student nieuw leven wordt ingeblazen…