Recensie —

Het gras is altijd groener …

Robert-Jan de Kort

335 pagina’s, 10 redactieleden, 17 critici, 38 projecten en een in memoriam. Het Jaarboek Architectuur in Vlaanderen is indrukwekkender dan ooit. Het Vlaams Architectuurinstituut wil de architectuur stevig verankeren in de Vlaamse beleidskaders, zoveel is duidelijk.

Je kent het wel: de affiniteit die je soms hebt met een ander land dan Nederland. Meestal ontstaat deze affiniteit tijdens de zonovergoten vakantie op twee dagen rijden van huis. Automatisch begin je dan te vergelijken en komen vragen op als: waarom hebben we in Nederland niet van die mooie parken, rustieke pleinen en lekkere goedkope wijn? Eenmaal terug in het eigen land keert het pragmatisme snel terug. Je legt je neer bij de aanname dat alles wat deze bewondering oproept is ontstaan doordat plaatselijke omstandigheden als cultuur en klimaat zo sterk verschillen van die in Nederland. De euforie van vakantie staat bovendien in schril contrast met de realiteit van het werkende leven. We gaan weer over tot de orde van de dag.
Eenzelfde gevoel bekruipt me als ik overzichtsboeken met buitenlandse architectuur bekijk. Daarin lijkt het gras altijd groener. Zo ook in het Jaarboek Architectuur in Vlaanderen 2010. Alleen… Vlaanderen ligt op een steenworp afstand van Nederland en het gaat direct over mijn eigen beroepspraktijk.

Het Nederlandstalige deel van ons buurland timmert sinds twaalf jaar hard aan de weg met architectuur. bOb van Reeth werd in 1998 aangesteld als eerste Vlaams Bouwmeester. Hij zorgde er allereerst voor dat publieke opdrachtgevers via de zogenoemde 'Open Oproep' op basis van portfolio de juiste architectenselectie konden maken. Met resultaat: het model wordt momenteel ook door private opdrachtgevers toegepast. Deze procedure oefent ook op Nederlandse architecten een grote aantrekkingskracht uit en heeft tevens de terreur van de Europese aanbestedingsregels overleefd. Architectuur begint meer en meer verankerd te raken in de Vlaamse beleidskaders. Dit blijkt temeer uit het feit dat de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur het voorwoord van het architectuur jaarboek schreef.

Het jaarboek is indrukwekkend dik. Dit is meteen het enige aspect waarmee het boek de lezer opzichtig imponeert. De opmaak binnenin straalt grote rust en beheersing uit. Lappen tekst worden afgewisseld door tekeningen en ingetogen foto's. Het matte papier complementeert de rustieke uitstraling van de inhoud.
Maarten Delbeke leidt namens de redactie het jaarboek in. De kernredactie bestaat uit Gideon Boie, Dieter De Clercq, Ilse Degerickx, Janina Gosseye, Jan Mannaerts en Katrien Vandermarliere, aangevuld met Kristiaan Borret, Maarten Delbeke, AndrƩ Loeckx en Koen Van Synghel. Deze redactie selecteerde zo'n honderd projecten, die daarna door een of meer redactieleden bezocht zijn. Hieruit werd de definitieve selectie gedestilleerd.

Het jaarboek onderscheidt zich van zijn Nederlandse equivalent doordat de redactie per project een kleine architectuurkritiek schreef. Hierdoor proef je als lezer precies wat de redactie, bij monde van een van haar leden, al dan niet waardeert in het geselecteerde project en in welke context het project geplaatst wordt. Deze vorm is gekozen om te vermijden dat al te grote thema's los van daadwerkelijke gebouwen besproken worden. De Vlaamse redactie koos bewust voor deze bottum-up benadering. Zij hoopt via architectuurkritiek de kwesties en vragen op te sporen die actueel zijn. Hiermee doet de redactie eer aan het gerealiseerde werk, maar erkent dat actuele thema's – als bijvoorbeeld duurzaamheid, de rol van de Orde van Architecten en de relatie tussen architectuur en infrastructuur – niet per se aan bod komen. Dit format omzeilt de gebruikelijke spagaat tussen actualiteit en de geselecteerde projecten waarin de Nederlandse jaarboekredacties zich steevast bevinden.

De inhoudelijke strategie van de redactie werkt. De teksten zijn een verademing en doorstaan wat mij betreft de door Delbeke in zijn inleiding genoemde 'proeve van architectuurkritiek'.
Er is echter geen poging gedaan om aan het beeldmateriaal dezelfde kritische lading te geven, of om beeld en tekst te verweven. Nu is de lezer min of meer gedwongen eerst de tekst te lezen en daarna de documentatie te bekijken. Als de tekst niet gelezen zou worden, een gegeven waar je als redactie altijd rekening mee dient te houden, word je door het resterende beeldmateriaal nergens meer op gewezen. Dit is in mijn ogen een gemiste kans om ook de minder ingevoerde architectuurliefhebber mee te nemen in een narratief dat draait om het punt dat architectuur ertoe doet in Vlaanderen.

Dat dit zo is wordt wel duidelijk als men er toch voor gaat zitten om de teksten te lezen. Tussen de regels door zijn er meerdere pleidooien te lezen. Bijvoorbeeld een een pleidooi voor zorgarchitectuur, voor ontwikkelende architecten en voor betere stedelijke groepswoningbouw. De laatste is verpakt in de tekst over het project LABO VESPA, waarin de Antwerpse gemeentelijke dienst voor vastgoed en stadsprojecten zeer gericht slecht functionerende panden transformeert. Daarbij moet vaak gewerkt worden met een ambitieus woonprogramma en onregelmatige kavels. Deze projecten zijn bedoeld om een katalyserende voorbeeldfunctie te vervullen. VESPA vervult hierbij de rol van voorbeeldig bouwheer door bij voorkeur jonge architecten kansen te geven en die intensief door het proces te loodsen. Het koppelen van de nieuwe generatie architecten aan complexe stedelijke puzzels heeft goede resultaten opgeleverd en verdient navolging in een tijd waarin vooruitgang niet langer via de makkelijke maar juist via de moeilijke weg bereikt moet worden. Een (gemeentelijke) overheid die de weg wijst en stimuleert is daarbij broodnodig.

Het jaarboek dichtslaand vraag ik me af waarom we in Nederland zo'n moeite hebben om een scherp geschreven jaarboek te maken. Waarom we kampen met de lasten van Europese aanbestedingsregels. Waarom bij ons jonge architecten nauwelijks geholpen worden om daadwerkelijk te bouwen. En waarom bij ons het voorwoord van het architectuurjaarboek niet geschreven wordt door een minister. Dan realiseer ik me dat Vlaanderen het buitenland is. Natuurlijk, het beeld dat van Vlaanderen gewekt wordt in het jaarboek is vast geromantiseerd en staat vanzelfsprekend in contrast met de realiteit in Nederland. Laten we maar weer overgaan tot de orde van de dag. Toch?