Feature —

Liever muf dan FAT

Eireen Schreurs

“Wat kan de rol van architectuur zijn bij het creëren van een collectieve identiteit in de hedendaagse gepolariseerde samenleving?” vraagt het NAi zich af in de lezingenreeks over sociale cohesie. Sean Griffiths (FAT) en Lisa Fior (muf) spraken op 6 januari over hun praktijken.

De vraag die het NAi stelt wint aan scherpte als je het begrip sociale cohesie eerst eens kritisch overdenkt. Hoewel de sociale cohesie groot was in het naoorlogse Nederland, kwam zij door de ontzuiling in de jaren zestig onder druk te staan. Met de verder schrijdende individualisering en mediatisering van de samenleving is het twijfelachtig of sociale cohesie zoals wij haar kenden nog een lang leven is beschoren. Zij zou zich op hele andere manieren kunnen gaan organiseren en manifesteren. Welke, dat is een interessante vraag.

Sociale cohesie is behalve een maatschappelijk fenomeen ook een politieke strategie. Zij versterkt de onderlinge solidariteit, wat weer leidt tot maatschappelijk gewenste sociale stabiliteit. Maar sociale cohesie heeft onmiskenbaar ook nadelen. De verzuilde samenleving uit de jaren vijftig was namelijk ook verstikkend, vervelend, uitsluitend en ontnam de burger haar verantwoordelijkheid. De vraag om sociale cohesie moet daarom altijd met enige achterdocht benaderd worden. Wie is er mee gediend? Wie heeft erom gevraagd? Is zij inclusief of exclusief bedoeld? Met deze vragen in het achterhoofd luister ik naar Sean Griffith en Lisa Fior.

Het architectenbureau FAT (FashionArchitectureTaste) is in Nederland onder meer bekend vanwege de feestzaal Heerlijkheid Hoogvliet. Hun architectuur zet in op collectieve identiteit, waarvoor ze specifieke beeldtalen ontwikkelen. Bij een woningbouwproject in Manchester laat het bureau zich inspireren door de toekomstige bewoners, die hun oude woningen ombouwde tot paleisjes, compleet met open haarden en nepkolommen. In Engeland nemen ze dat op zijn Venturiaans bloedserieus, met bonte pop art gevels als resultaat.

Schept dit project sociale cohesie? Niet als je sociale cohesie opvat als het creëren van samenhang tussen verschillende groepen. Het collectief bestond al, want de meeste bewoners waren afkomstig uit de oudbouw op dezelfde locatie en uit een arbeidersmilieu. De collectieve identiteit is wellicht versterkt door haar fysieke vertaling in een bijzondere gevel, waar veel bewoners trots op zijn. Is dat een architectonische innovatie? Het onderscheidt zich niet van Haverleij en Brandevoort, projecten die ook een beeldtaal ontwikkelden waar bewoners zich mee kunnen identificeren. Of alle bewoners zelf gekozen hebben om tot FAT’s collectief toe te treden wordt niet duidelijk. Gezien het feit dat dit sociale woningbouw is, is dat onwaarschijnlijk. Griffith lijkt zich deze kritische vragen niet te stellen, hoewel hij (en ik) zich wel afvragen hoe toekomstbestendig zijn vormentaal is.

Lisa Fior van architecten-kunstenaars collectief muf problematiseert het begrip sociale cohesie wel. Voor Fior is sociale cohesie ‘NOT a sunny square where people drink cappuccino’. Sociale cohesie is volgens Fior tijdsgebonden en niet plekgebonden, en haar betekenis kan je nooit fixeren. Wat kan je dan wel doen? Mufs projecten bestaan vaak uit (her)inrichtingen van openbare ruimtes. Met een methode van ‘close looking, mapping en naming’ formuleren ze hun projecten, waarna het gebouwde resultaat kan variëren van een nep ruïne, gebouwd door lokale metselaars, tot een geheime tuin die onderhouden wordt door allerlei buurtgroepen. Hun strategie om bewoners en gebruikers te betrekken, maakt de projecten sociaal relevant. Maar belangrijker nog is dat muf de motieven van de opdrachtgever tegen het licht houdt en hiermee dikwijls de opgave herformuleert.

Wat kunnen de Engelsen ons leren over de rol van architectuur? FAT, hoewel architectonisch verfrissend, is door de beperkte reikwijdte van hun sociale ambitie het minst overtuigend. Fiors strategie is intelligenter. Zij gebruikt de politieke dimensie van sociale cohesie tegen de opdrachtgever. Daarmee legt ze de verantwoordelijkheid daar waar ze het meest effectief is: bij het individu. Deze bepaalt zelf hoe en waarom ze verbonden zou willen worden. Het bijzondere van muf is dat er zo niet alleen op een innovatieve manier nieuwe collectieven ontstaan. Door deze te koppelen aan mufs eigen onderzoeksagenda heeft het fysieke resultaat vaak een volstrekt originele zeggingskracht.

Blijft de vraag of de rol van de architectuur in deze serie wel beantwoord wordt. Tot nu toe is een bonte parade voorbij getrokken van veelal buitengewone programmatische ingrepen vertaald in prachtige objecten op onwaarschijnlijke plekken – ‘beautifully eccentric’ noemt Wouter Vanstiphout muf en FAT deze avond. Maar waarom die gerichtheid op het bijzondere programma en het spectaculaire beeld? Voor het bijeenbrengen van verschillende groepen in de maatschappij hoeft niet ver gezocht te worden. Scholen, ziekenhuizen en bibliotheken lenen zich niet voor FAT’s strategie van de uitzinnige gevels, of muf’s tactiek van de excentriciteit. Bij dit soort programma’s gaat het bijvoorbeeld om het ontwikkelen van nieuwe typologieën, het vormgeven van interieurs en de overgangsruimtes. Daar ligt de grootste opgave en hier zou het vakdebat dan ook over moeten gaan, want de kritische vragen uit de inleiding zijn ook voor architectonische ingrepen uiterst relevante kwesties.