Recensie —

Sterke verhalen: de laatste strohalm van de planologie?

Wies Sanders

Er was eens een uniek en bescheiden vakgebied in Nederland: de planologie. Zij kwam pas tot bloei als alle muzen van de ruimte haar ondersteunden: die van het sterke bestuur, het vooruitziende beleid, het onafhankelijk onderzoek, de strenge doch rechtvaardige wetgeving, het open planproces, de vertrouwde partners, de verleidelijke visie en natuurlijk de lange termijn investeerders.

Maar zoals dat gaat met de goede dingen des levens, na verloop van tijd werden deze muzen voor lief genomen, vergeten of verkwanseld. De planologie leek op sterven na dood. Toen stond er echter een nieuwe muze op, die van Het Sterke Verhaal. Zij zong alles weer tot leven en aan elkaar, en de planologie leefde nog lang en gelukkig. In het boek Sterke Verhalen gebruiken auteurs Maarten Hajer, Jantine Gijzen en Susan van ’t Klooster, samen met enkele essayisten, veel woorden om deze laatste strohalm voor de planologie te schetsen. Schuilt er werkelijk zoveel kracht in het medium ‘verhalen vertellen’?

Alhoewel Sterke Verhalen, met name in de essays van Zef Hemel en John Forester, over de narratieve kracht van het ‘verhalen’ gaat, waarschuwt Jaap Modder tijdens de boekpresentatie op 16 december in Rotterdam: ‘dit boek beschrijft geen spannende jongensboekverhalen bij een knapperend haardvuur, het gaat over het prozaïsch stickertjes plakken in partycentrum ’t Haasje. Dat heeft toch wel iets beklemmends’. Tijdens de presentatie en na lezing van het boek blijft die beklemming hangen. Het ‘plakken van stickertjes’ staat weliswaar voor het speels en open betrekken van bewoners bij het kiezen uit ruimtelijke varianten, maar schuilt daarin de onverwacht heruitvinding van de planologie? Is dit nu dat sterke verhaal?

De bindende en lerende kracht van het oeroude ritueel ‘verhalen vertellen’ staat buiten kijf en verdient daarom een serieuze rol binnen de ruimtelijke ordening, naast vanzelfsprekend de onderbouwde cijfers, overzichtelijke kaarten en dergelijke. In deze tijd waarin burger, bestuurder en expert elkaar slecht verstaan biedt een vertelling, ontdaan van vakjargon, een nieuwe gezamenlijke taal. Samen werken aan een verhaal kan leiden tot een gedeeld begrip en co-evolutie. Een verhaal, of liever meerdere verhalen kunnen in een complexe wereld verrassende verbanden creëren, die begrijpelijk zijn zonder die complexiteit te ontkennen. En tenslotte biedt een verhaal een uitweg uit Kafkiaanse procedures, tegenstrijdige wet- en regelgeving, controlerende instituties en beklemmende top-10 lijstjes. Een verhaal leeft immers volgens eigen regels van compositie, spanningsboog, karaktervorming en tijd-ruimte. Een goed verhaal vertelt zichzelf.

Hajer c.s. beschrijven in het boek de veranderende relatie tussen experts, bestuurders en burgers. Met de mondige burger liggen expertise en macht niet meer eenduidig bij de expert en de bestuurder, men zoekt al doende naar nieuwe verhoudingen. Maar de voorbeeldprojecten in Sterke Verhalen staan in geen verhouding tot de wenkende perspectieven van Parkstad van Hof tot Haven (1987) of Markeroog XI (2006), voorbeelden van planologische sterke verhalen die in de inleiding worden aangehaald. En hoe wenkend ze ook waren, beide visies zijn niet uitgevoerd omdat ze geen recht deden aan de realiteit van de partners die de visie moesten waarmaken. Vandaar de recente aandacht in de planologie voor bottom-up ontwikkelingen en actor gerelateerde planning. Want als betrokken actoren een verhaal zelf vertellen, uitvoeren en beheren, wordt het concreet en waar. Pas in de conclusie noemt Hajer tien abstracte voorwaarden waaraan ‘een sterk verhaal’ moet voldoen, ongeacht door wie of voor wie het wordt gemaakt, maar terugbladerend voldoet geen enkel plan of verhaal in het boek daar aan.

Dat de onuitgevoerde plannen, verhalen en visies in het boek worden beschreven alsof het successen zijn, suggereert dat de planologie geen relatie meer hoeft te hebben met een voorziene ruimtelijke realisatie. Moet een script niet verfilmd worden, een boek niet gelezen? Maakt alleen het praten over een ongelezen boek dat boek al tot meesterwerk? Oftewel, moet een planproces niet tot een leefbaar gebied leiden, alvorens er zo jubelend over gesproken kan worden? Een communicatief succesje als de Metropoolregio is toch wel een erg nauwe opvatting over ruimtelijke ordening. Dat is nu precies het probleem: een planoloog kan binnen zijn eigen merites iets als een succes benoemen, zonder het risico te lopen ook maar iets te moeten waarmaken. De Metropoolregio is simpelweg als een twitter die massaal ge-retweet wordt. De tweet mag dan zelf een succes zijn, dat maakt de inhoud ervan nog niet waar – niet eens per se relevant.

En hoe sterk kan een verhaal eigenlijk zijn, als er geen serieuze antagonist, in de vorm van een conflict, chaos of confrontatie, in voorkomt? In de zaal werd deze vraag meermalen gesteld, omdat dit in de praktijk van de ruimtelijke ordening dagelijkse kost is. Het is anno 2011 niet langer mogelijk om te werken met verhalen van een Hollywood-simpelheid met een gegarandeerd happy end. En toch is dat wat er gebeurt. Het verhaal van de Metropoolregio zegt, hoe goed verteld ook, niet veel meer dan ‘deze stad is top’ en wijkt daarmee niet af van het promotieverhaal van een willekeurig provinciestadje. Nederlandse waterplannen blijven in essentie steeds het motief herhalen van ‘voorkom de grote watersnood’. Dat is een te simpele voorstelling van de werkelijkheid. Bovendien zit dat probleem niet meer in het DNA van het Nederlandse publiek, meent Ole Bouman.

Het beklemmende zit dus niet alleen in dat stickertjes plakken, het zit ook in het bovenmatige gejubel over matige inhoud. Een verhaal wordt alleen maar sterker als de kritiek goed in het verhaal georganiseerd wordt, stelde iemand in de zaal. Niet alleen wordt het daar sterker van, het wordt bovenal geloofwaardiger en uitdagender voor het publiek. Een ander zei dat de meest inspirerende verhalen op dit moment liggen in kleine, precies uitgevoerde vertellingen van private initiatieven, niet in de grove, van overheidswege gedirigeerde abstracties. Ligt hier dan niet een schone taak voor ontwerpers en planologen, om die kleine initiatieven in grotere verbanden te brengen? Dáár wordt de planologie al worstelend doch zeer inspirerend heruitgevonden, niet in de grootse voorbeelden uit Sterke Verhalen.