Recensie —

Stills, een hommage tegen wil en dank

Remy Kroese

Een werknemer zei ooit over Wiel Arets dat er wereldwijd wel honderd architecten zijn die beter zijn, maar dat er niemand is die zijn werk beter weet te verkopen dan hij. Maar of dat ook lukt in Stills, de tentoonstelling over het werk van Wiel Arets in zijn geboorteplaats Heerlen, is de vraag.

Stills: Wiel Arets Architects beslaat een groot deel van Schunck en is opgebouwd uit drie delen; een werkoverzicht, videoportretten en persoonlijke inspiratiebronnen. Een fraaie publicatie met daarin een groot aantal teksten van Arets zelf maar ook beschouwingen over zijn werk door onder anderen Kenneth Frampton, Anthony Vidler, Geert Bekaert en Bart Lootsma completeert de hommage.
In de ondergrondse museumruimte van Schunck bevindt zich de kern van de tentoonstelling, het werkoverzicht. De deur naar de tentoonstellingshal openend, straalt een kraakwitte ruimte de bezoeker tegemoet en wordt hij overspoeld door elektronische lounge-klanken. Zorgvuldig geplaatste en al even witte sokkels met daarop enorme iMac's, documentatie en maquettes vullen de ruimte tussen de karakteristieke paddenstoelkolommen. Het is duidelijk dat hier een perfectionist aan het werk is geweest die het modernisme niet alleen heeft omarmt maar het, al dan niet bewust, haast doodknuffelt.

Langs de wanden is een chronologisch overzicht te zien waarop middels foto's en impressies een indrukwekkende hoeveelheid al dan niet gerealiseerde projecten wordt gepresenteerd. Deze tijdslijn fungeert als rode draad en visuele inleiding naar een aantal geselecteerde werken die in het midden van de ruimte verder uitgediept worden. Van ieder project is er een groot formaat boekwerk met tekeningen en projectdata, een maquette en een animatie, waarbij de animaties jammer genoeg van een dusdanige kwaliteit zijn dat ze stuk voor stuk niets toevoegen, laat staan de door Arets vaak aangehaalde cinematografische kwaliteiten van zijn architectuur benadrukken.

Een flink deel van het vloeroppervlak van de ruimte wordt ingenomen door een enorme hoeveelheid witte modellen uit polystyreen. Een onbegrijpelijke keuze. De karakteristiek van deze onder architecten geliefde kunststof is dat de architectuur slechts als massa (sculptuur) gelezen kan worden. Maar deze beperking, die, wanneer op waarde geschat en op de juiste manier toegepast, een handig hulpmiddel kan zijn, maakt hier pijnlijk duidelijk dat de gebouwen het predicaat sculptuur allerminst verdienen. Het is mij volstrekt onduidelijk waarom Arets, die naar eigen zeggen het 'cinematografische' en 'narratieve' van zijn ontwerpen prefereert boven het sculpturale, zich heeft laten verleiden tot deze misser.

Het tweede en derde deel van Stills bevinden zich elders in het gebouw. Op de eerste etage is een serie zorgvuldig gemaakte videoportretten te zien, waarin Arets op een luchtige, ongedwongen en meeslepende manier verhaalt over alles wat hem bezighoudt; een verademing na de weinig indrukwekkende uitstalling in de kelder. En in het trappenhuis is een bonte stoet van inspiratiebronnen te vinden. Rei Kawakubo, de ontwerpster van het Japanse modemerk Comme des Garçons, opent de rij. Inderdaad een grote inspiratiebron voor Arets, blijkens zijn gewoonte om in oprecht enthousiasme te pas en te onpas zijn jas uit te trekken om zijn laatste aanwinst van haar te tonen. Indrukwekkend is de foto met herinnering aan zijn ouders, en verder de gebruikelijke automerken, kunstenaars, filosofen, schrijvers en collega-architecten. Helaas geldt voor dit deel van de tentoonstelling wederom dat de keuze voor kwantiteit niet de juiste is, een bewustere selectie had meer inzicht geboden in het denken van Arets en een sterkere connectie met zijn tentoongestelde werken mogelijk gemaakt.

Toch zijn deze keuzes verklaarbaar. Niet voor niets wordt er door de samenstellers van de tentoonstelling gesproken over een hommage, een eerbetoon, een oeuvretentoonstelling avant la lettre (die volgens Arets nooit een oeuvretentoonstelling had mogen zijn). Ik stel me het doorzettingsvermogen van de curatoren voor, die door intens strelen van het ego van Arets hem hebben weten te verleiden dit weinig inspirerende tentoonstellingsmodel te aanvaarden. Nergens wordt inzicht gegeven in het ontwerpproces. Achtergronden, uitgangspunten of concepten van de ontwerpen zijn nauwelijks zichtbaar en alle realisaties schijnen vlekkeloos te zijn verlopen. Om toch een positieve eigenschap van dit tentoonstellingsmodel te noemen: als je als bezoeker niet overdonderd wordt door de kwantiteit, heb je de vrijheid om zelf op zoek te gaan naar achtergronden of uitgangspunten.
Een pregnant thema dat nergens bij naam wordt genoemd is bijvoorbeeld de huid. Een door Arets geschreven tekst uit 1991, getiteld An alabaster skin verwijst voor het eerst naar deze thematiek. Hoewel Arets in deze tekst niet of nauwelijks ingaat op het begrip skin als letterlijke 'huid' van de architectuur, is deze titel wel exemplarisch voor de vele projecten die volgen en dus een aanleiding de projecten die te zien zijn wat kritischer te beschouwen.

De ontwikkeling van de architecturale huid van Arets' gebouwen is in deze tentoonstelling zeer goed te volgen. Na een aanloopfase in de tweede helft van de jaren 80, waar de projecten duidelijk het handschrift dragen van zowel Arets als zijn toenmalige bureaupartner Wim van den Bergh, is de toepassing van glazen bouwstenen in de Academie Beeldende Kunsten Maastricht (1995) en van Reglit in meerdere projecten in diezelfde periode, de eerste zichtbare uiting van een zoektocht naar de definitie van de huid. Beide zijn opaal van karakter en resulteren in een ambigue binnen-buitenrelatie, hiermee dus verwijzend naar het witte marmer uit de genoemde tekst.
Arets experimenteert verder: prints op glas, het opaal-groene glas in de villa Van Zanten (1997), het bijna expressionistisch gepotdekselde reflecterend glas van de muziekschool in Heerlen, pal naast het Glaspaleis – de interessante vraag of dit een hommage of een brutale ingreep is laat ik hier buiten beschouwing – en het streven naar de ultieme transparantie in zijn ontwerp voor de Tea- & Coffee Towers voor Alessi uit 2001. Tenslotte geven de alom geprezen Universiteitsbibliotheek Utrecht en de V-tower in Eindhoven aanleiding tot een interessante bespiegeling. Waar in de Universiteitsbibliotheek een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de zwarte betonnen 'dozen', voorzien van een wilgenhoutreliëf en de glazen huid, eveneens van wilgenhout voorzien maar nu in de vorm van een print, komen beide extremen in materiaal (het steenachtige en het kristallijne) samen in de V-tower. Het glas is hier zowel helder en doorzichtig als drager van een basalt-achtige print, het wekt de suggestie van massa en gewicht; een gewaagde en opmerkelijke combinatie.

Het ligt nu erg voor de hand om een van de inspiratiebronnen van Arets in deze beschouwing te betrekken. In een kort bijschrift bij een afbeelding van de Masaï, een Oost-Afrikaans nomadisch volk, beschrijft Arets dat hij gefascineerd is door de manier waarop zij omgaan met het lichaam en meer specifiek de huid. De huid wordt bewerkt met stof en pigment en voorzien van specifieke littekens waardoor het als spiegel en communicatiemiddel gaat fungeren, zowel decoratief als functioneel. Echter, deze verwijzing van project naar inspiratiebron en vice versa blijft niet alleen in dit geval maar in de hele tentoonstelling zonder betekenis, zodat een gevoel van willekeur, vluchtigheid en oppervlakkigheid overheerst.

Arets zelf geeft regelmatig tijdens lezingen en in artikelen een aanzet tot kritische beschouwing van zijn werk door aspecten te noemen die hij belangrijk vindt. En of deze beschouwingen nu leiden tot positieve of negatieve kritieken, er wordt in ieder geval een uitspraak gedaan. In Stills niets van dit alles, met als resultaat dat de architectuur het zwijgen wordt opgelegd. Echter, gezien de al genoemde loungeklanken is stilte blijkbaar ook niet gewenst in Schunck. De architectuur van Arets verdient beter.