Feature —

Alles van Waarde is Weerloos?

Paul Groenendijk

Het spreekwoordelijke dynamische Rotterdam lijkt na 65 jaar vernieuwing in de ban van behoud en restauratie. Onder de titel Alles van Waarde is Weerloos werd een discussieavond georganiseerd over de waarde van het cultuurhistorisch erfgoed in Rotterdam, met name uit de wederopbouwperiode.

Als toepasselijke locatie voor de bijeenkomst was het nieuwe jazzpodium Heidegger gekozen, sinds kort gehuisvest in de kelders van Galeries Modernes, een sterk verwaarloosd winkelpand uit de wederopbouwperiode. Vlakbij aan de Hoogstraat staan overigens twee gebouwen uit dezelfde periode die na een voorbeeldige restauratie een nieuwe toekomst hebben gekregen: Huf en Blokker. Een avond met verhitte discussies tussen voor- en tegenstanders van sloop en nieuwbouw werd het niet. Discussieleider en welstandslid Marinke Steenhuis, architect Wouter IJssel de Schepper, kunstenaar Gyz la Rivière en ondernemer Robin von Weiler hielden elk vanuit hun eigen optiek een gloedvol pleidooi voor hergebruik van wederopbouwarchitectuur. Zelfs de meestal als spelbreker optredende bestuurders hebben herbestemming omarmd. Directeur dS+V Astrid Samson noemde herbestemming andermaal het nieuwe ontwikkelen. Wethouder Alexandra van Huffelen stelt het ook expliciet: slopen is niet de oplossing.

Het spreekwoordelijke dynamische Rotterdam lijkt dus na 65 jaar vernieuwing in de ban van behoud en restauratie. En dan te bedenken dat nog niet zo lang geleden enkele verontruste kunsthistorici en architecten het Comité Wederopbouw oprichtten ten einde een paar belangrijke werken uit de Wederopbouw te behouden. Want in de jaren negentig gingen die gebouwen in hoog tempo tegen de vlakte om plaats te maken voor nieuwbouw, zoals de pakhuizen aan de Wijnhaven, de warenhuizen van C&A en Hema en het Twaalfprovinciënhuis aan de Hoogstraat. Mede door de acties van het Comité en het groeiend besef van de culturele waarde van de wederopbouwarchitectuur zijn bijvoorbeeld de drie banken aan de Blaak, de Thalia bioscoop en Las Palmas behouden, en zijn snode plannen voor de Euromast en de Lijnbaanflats verijdeld. Wederopbouwarchitectuur is inmiddels monumentwaardig en rijksdienst en gemeente zetten zich in voor Rotterdam, met de restauratie van het Groothandelsgebouw als belangrijkste wapenfeit. Maar er is de laatste jaren toch nog onnodig veel gesneuveld, zoals de Pauluskerk en het Rijnhotel, het Centraal Station en het prachtige Doofstommeninstituut aan de Boezemweg. Het gebied rond de Grotemarkt is volledig kaalgeslagen. En nog steeds volhardt men in de onzalige plannen om de gehele Delftsestraat te slopen en te vervangen door nog meer tot leegstand gedoemde kantoortorens. Terwijl die aardige pandjes toch mooi hergebruikt worden en als basis kunnen dienen voor nieuwe ontwikkelingen, zoals ZUS architecten al eens hebben aangetoond.

Merkwaardigerwijs richt de behoudzucht zich thans vooral op de tweede garnituur gebouwen, zoals het Minervahuis aan de Meent en het Blokkerpand; eerder enigszins traditionalistische architectuur met leuke decoraties en beeldende kunst dan echte rücksichtslose moderne. Illustratief daarvoor is hoe er omgegaan is met het Stadstimmerhuis, zo’n typisch non-descript jarenvijftig-gebouw van gemeentearchitect Koops, dat per se behouden moest blijven en nu als basis gaat dienen voor het state of the art stadskantoor van Rem Koolhaas. Terwijl een potentieel topmonument als het Centraal Station van Van Ravesteyn, toch al de meest gesloopte architect van Nederland, zonder problemen wordt vernietigd. Maar op zich is het natuurlijk prachtig dat er ook aandacht is voor tweede garnituur architectuur die misschien wel veel meer dan de erkende highlights het beeld van de wederopbouw bepaalt. Eigenlijk zou er zo snel mogelijk een stolp over het oostelijk gebied van het centrum moeten worden gezet, want daar kun je de wederopbouwstad het best ervaren.
Wat herbestemming zo aantrekkelijk maakt is dat al die mooie en lelijke gebouwen identiteit hebben en authentiek zijn. Zij zijn geworteld in de stad en vertellen een verhaal over de veelal Rotterdamse ondernemers, architecten en bouwbedrijven die ze gerealiseerd hebben én over de stad zelf; het zijn betekenisvolle gebouwen. Terwijl bestuurders, architecten en stedenbouwkundigen de gekste capriolen uithalen om nieuwbouwwijken een identiteit te geven met verhalen, mythes, thema’s, straatnamen en wat al niet, hebben deze gebouwen al een verhaal, een ziel. Je hoeft de oorspronkelijke zwart-witfoto’s maar erbij te zoeken en iedereen is enthousiast.

Het Stadstimmerhuis is in meer opzichten illustratief voor de ideeën over behoud en vernieuwing. Niemand heeft geprotesteerd tegen de sloop van het jarenzeventig-deel ervan. Zoals de jaren zeventig-architectuur nu algemeen verketterd wordt. Voor Gyz la Rivière, die als enige spreker wat dissonante meningen naar voren bracht, is de ‘stadsvernieling’ uit de jaren zeventig en tachtig de grootste ergernis. In zijn nogal inconsistente betoog pleit hij enerzijds voor de sloop van de stadsvernieuwingsprojecten, maar anderzijds ook voor historiserend bouwen, het laten staan van gevels met erachter nieuwbouw, en herbouw van ten onrechte gesloopte iconen als de Koninginnekerk, de Bijenkorf van Dudok en het Coolsingelziekenhuis. Weg met de scheiding van functies van het modernisme en er moet ook weer, net als in de jaren zeventig, een hertenkamp komen in het centrum van Rotterdam. Die gebouwen hebben betekenis voor de stad. Een originele invalshoek is het soms gewoon laten verloederen van bepaalde gebouwen en straten. Dat biedt weer kansen voor nieuw gebruik. En één ding is zeker: de overheid kan dit nooit sturen.

Het idee dat de stadsvernieuwing de stad meer slechts dan goeds heeft opgeleverd is te verklaren uit die eeuwige Freudiaanse ‘vadermoord’ die de waardering van culturele producten bepaalt. Elke nieuwe generatie zet zich af tegen de voorgaande en wil de producten van die voorgangers het liefst verwoesten. Tegelijkertijd vindt er een herwaardering plaats van het door de voorgangers verfoeide. Zo blijven we maar bouwen en slopen en treuren om wat onze voorgangers bouwden en sloopten. En over een jaar of tien komt er dan een actiegroep die de jaren zeventig-architectuur gaat beschermen aan de hand van de vergeelde dia’s van die gebouwen…