Nieuws —

De avonturen van Jop Steenhouwer, deel 1

Piet Vollaard

Het zijn moeilijke tijden, maar er zijn altijd architecten die – juist in tijden van crisis – boven zichzelf uitstijgen. Architecten met hart voor de zaak en voeling met de buurt. Jop Steenhouwer is zo’n architect. Om voeling te houden met de praktijk, volgt ArchiNed deze architect op zijn queeste naar werk en inhoud.
Vandaag aflevering 1: Jop Steenhouwer gaat netwerken.

Met lood in de schoenen liep Jop Steenhouwer, architect tussen twee opdrachten, in de richting van de feestelijk verlichte entree van het betonpaleis. Zenuwachtig controleerde hij voor de vierde keer de uitnodigingskaart en keek hij met een schuin oog op zijn horloge. Kwart voor vijf, iets te vroeg eigenlijk, maar als hij nu zou aarzelen, zou hij teruggaan. Zoveel zelfkennis had Jop wel. Met een ferm ‘Kom op Jop, je kunt het’, duwde hij zichzelf door de draaideur en liep hij op de liften af.

Het was druk binnen. Links en rechts passeerden vrolijk pratende bezoekers, die zich door een vriendelijk meisje in de volle liften lieten dirigeren. Jop had het eerst een tijdje van een afstandje gadegeslagen; hij voelde zich altijd een beetje ongemakkelijk in een volle lift. Maar wie A zegt moet B zeggen en het zag er niet naar uit dat de drukte zou afnemen. Vooruit dan maar. Gelukkig heerste er in de overvolle lift de gebruikelijke stilte. Met zijn neus in de krullen van het meisje voor hem en met moeite op zijn linkervoet balancerend om afstand te houden van de corpulente man achter hem, wachtte Jop op de dingen die komen gingen.

Het was de eerste keer dat Jop naar een bijeenkomst van vakgenoten ging. In zijn dertig jaar durende loopbaan had hij daar nooit het nut van ingezien. Het werk was hem altijd aan komen waaien en Jop wist van zichzelf heus wel dat hij weinig had bij te dragen aan het vakdebat. Hij wist eigenlijk niet eens precies wat dat was; het vakdebat. Maar het afgelopen jaar waren nieuwe opdrachten uitgebleven. Frans van Swiften, de ontwikkelaar waar hij al jaren zaken mee deed, had zich onlangs failliet laten verklaren. En zijn zwager, die hem wel eens wat opdrachten toespeelde voor de woningcorporatie waar hij werkte, had ook niets meer van zich laten horen nadat Anneke op hoge poten en met slaande deuren uit Jops leven verdwenen was. Jop was door de hele toestand de afgelopen maanden behoorlijk depressief geweest, dat mocht je best weten.
‘U moet echt zorgen dat u weer onder de mensen komt, meneer Steenhouwer’, had de jonge huisarts, waar hij tenslotte met maagklachten naar toe was gegaan, hem op het hart gedrukt.
Twee dagen later had zijn boekhouder hem bezorgd aangekeken. ‘Weet je wat jij eens moet gaan doen, Steenhouwer? Jij moet als de sodemieter gaan netwerken! Zo niet, dan kun je de tent hier wel sluiten.’
Dus zodoende, Jop Steenhouwer ging netwerken. Alweer zoiets waarover hij natuurlijk wel had gelezen, maar waar hij het nut nooit van had ingezien. Ja, vroeger was hij wel eens naar bijeenkomsten van de Lions Club geweest en Frans van Swiften had hem ooit een keer uitgenodigd voor een proefmiddag op de golfclub waar hij lid van was. Maar om nou te zeggen dat hem dat ooit wat had opgeleverd, nee.

De liftdeuren schoven open en de aarzelende Jop Steenhouwer werd door de corpulente man, die kennelijk meer haast had, in de richting van de garderobe geduwd. Terwijl hij zijn overjas voor een bonnetje inruilde, keek Jop om zich heen. Hij had er goed aan gedaan om zijn zwarte pak aan te trekken. Eigenlijk voelde Jop zich nog het meest senang in zijn spijkerbroek en blauwe slobbertrui. In de jaren tachtig, toen hij zich als pas afgestudeerde architect vol overgave op de stadvernieuwing had gestort, had die trui hem de nodige credits bezorgd. Jop had natuurlijk ook wel gemerkt dat de kledingvoorschriften in de loop der jaren veranderd waren, maar hij had zich daar nooit wat van aangetrokken. Je toonde je geloofwaardigheid als architect door betrokkenheid met de bewoners, en niet door je kennis van de laatste modetrends. Dat was Jop Steenhouwers overtuiging al die jaren geweest. En zolang hij het werk maar op tijd en binnen budget inleverde en niet te moeilijk deed over het honorarium, was hij daar, slobbertrui of niet, mee weggekomen. ‘De tijden waren veranderd, zoveel is wel duidelijk.’ mijmerde hij. En terwijl hij terugdacht aan die mooie jaren toen participatiearchitectuur nog iets betekende, volgde hij de overige bezoekers in de richting van de feestzaal.

Onderaan de trap naar de zaal werd hem een plastic muntje in de hand gedrukt. Hij vroeg zich bezorgd af of hij niet toch wat meer geld mee had moeten nemen. Jop had zichzelf sinds enige weken op dringend aanraden van zijn boekhouder op rantsoen gezet. `We kunnen die caférekeningen van jou niet meer blijven aftrekken, Steenhouwer. Het wordt te veel, ze zijn bij de belastingdienst ook niet gek.` Er mocht nog gedronken worden, maar niet meer op kosten van de zaak. Jop wist niet of hij zijn zenuwen over dit nieuwe avontuur wel met een enkele consumptie in bedwang kon houden. Er had een waslijst aan organiserende instellingen op de uitnodigingskaart gestaan, en Jop had de gedachte dat er tenminste veel en gratis kon worden ingenomen als extra argument gebruikt om zich over zijn schroom heen te zetten. Toen hij bovenaan de trap zijn muntje al weer in moest leveren in ruil voor een glas Prosecco, zonk de moed Jop helemaal in de schoenen. Van die bubbelwijn ging zijn maag steevast opspelen. Hij nam liever een jenevertje. Hij was niet voor niets geboren en getogen Schiedammer.
‘Mijn God, waar ben ik aan begonnen?’ dacht Jop, terwijl hij de feestzaal binnenliep.

`Jop! … Jop Steenhouwer, ouwe rukker! Jezus wat doe jij nou hier?´
Met een schok ontwaakte Jop uit de mijmeringen waaraan hij zich gedurende het uur dat hij nu op de bijeenkomst was, had overgegeven. Hij had zich met de stroom laten meevoeren naar een duistere zaal en onwennig met zijn champagneglas draaiend rondgekeken, verbaasd over de grote hoeveelheid mensen waar hij werkelijk niemand van kende. Als hij kalm zou drinken, zou het met zijn maag misschien nog wel meevallen, en op die manier had hij voorzichtig nippend het glas na twintig minuten toch leeg gekregen en op een van de partytafeltjes kunnen wegzetten. Hij was de enige die alleen stond. Overal waren geanimeerde gesprekken aan de gang. Links en rechts werden er begroetingskussen uitgewisseld, ook tussen mannen. Ook al zoiets waar Jop niets van moest hebben. Toen ergens voor in de zaal korte welkomsttoespraken werden gehouden, had Jop daar geen woord van verstaan. Niemand trouwens, iedereen in zijn directe omgeving was gewoon doorgegaan met praten. Zo ging dat dus op netwerkbijeenkomsten. Eigenlijk had Jop zich net voorgenomen om maar onverrichter zake naar huis te gaan en daar de jeneverfles aan te spreken. Hij had geen woord met wie dan ook gewisseld en nu wel genoeg genetwerkt. Tot hij dus ruw uit zijn dagdromen werd gewekt.

‘Jop Steenhouwer, verdomme man, dat ik jou hier zou treffen, wie had dat gedacht. Maar toeval bestaat niet, want ik ben juist op zoek naar een mannetje als jij.’
Jop moest even goed kijken, maar toen zag hij het. Voor hem stond Jack van Vliet. In de stadsvernieuwingstijd had Jack als vertegenwoordiger van de Dienst Stedenbouw de inspraakbijeenkomsten georganiseerd. Daar was hij verdomd handig in geweest, en Jop had zich vaak verbaasd hoe Jack na uren vergaderen de bewoners toch kon laten instemmen met bezuinigingen waartegen ze tijdens de vele meetings daarvoor fel hadden geprotesteerd. Sindsdien had hij hem uit het oog verloren. Hij had hem wel eens in een sportwagen door de stad zien rijden. En hij had ook wel eens horen vertellen dat hij zijdelings betrokken was bij de vastgoedfraude, maar het fijne wist Jop er niet van.
‘Moet je horen, Jop, ik zit met een probleem. Je weet dat ik sinds enige tijd actief ben in de hergebruikmarkt’ Dat wist Jop niet, maar toch knikte hij.
‘Way of the Future, man.’, vervolgde Jack, ‘In die ouwe troep zit opeens weer muziek. Met een paar vriendjes heb ik geïnvesteerd in stuk onroerend leed met toekomst. Je weet wel, die oude jeneverfabriek achter de haven. Jij hebt toch in die buurt gewerkt?’
Dat was waar, het was een van Jops eerste zelfstandige renovatieprojecten geweest, en hij was er nog steeds trots op. Maar zonder antwoord af te wachten, ging Jack door: ‘ We zitten daar natuurlijk met wat vuilgrondprobleempjes en die hele tent schijnt vol te zitten met asbest, maar daar komen we wel uit, dat is het punt niet. Wat wij nodig hebben Jop, is een architect met hart voor de zaak en voeling met de buurt. We hebben het op aanraden van de gemeente met een paar jongens en meisjes van zo’n hip jong bureautje geprobeerd. Goedkoop natuurlijk, maar uiteindelijk heb je er toch niks aan. Wat mij betreft ben jij onze man!’
Met deze woorden sloeg hij Jop op de schouders, terwijl hij schuin wegkeek naar een groepje mensen verderop.
‘Luister, ik heb weinig tijd, maar hier is mijn kaartje. De komende week zit ik even op Bonaire, maar daarna bellen we.’
Jop had vlak voordat hij van huis ging nog wat visitekaartjes opgediept uit een bureaula. Goed dat hij daaraan gedacht had. Maar terwijl hij nog bezig was om er een tevoorschijn te halen, sloeg Jack hem alweer op de schouders.
‘Verdomd leuk om weer eens met je gesproken te hebben. We bellen.’ En weg was hij.
Verbouwereerd keek Jop naar het visitekaartje. ‘Jack van Vliet Properties’ stond er in fraaie letters. En een mobiel nummer. Verder niets. Zou dat netwerken dan toch werken? Jop besloot onmiddellijk te vertrekken en thuis het gebeuren te overdenken.

Buiten gekomen huppelde hij haast naar zijn fiets, die hij verderop aan een bouwhek had vastgezet. Vergeten was de depressie waar hij even last van had gehad. Toen hij wegreed merkte hij dat zijn band was leeg gelopen. Maar het deerde hem niet, dan liep hij wel naar huis. Het was tenslotte maar een paar kilometertjes.
Jop Steenhouwer was back in business!