Feature —

Duidingsdrift die neer moet dalen

Martine Bakker

In de stedenbouw van de toekomst wordt de plankaart verrijkt met een gids – althans als het aan Anne Seghers en Zineb Seghrouchni ligt. Met een subsidie van het Stimuleringsfonds voor Architectuur verkennen de twee jonge stedenbouwkundigen dit jaar de rand van de Tilburgse Spoorzone. Dat moet een methode opleveren voor leefbare transitieprocessen, met een soepele overgang van de transitiezone naar de bestaande stad. Het duiden van het gebruik is een belangrijk onderdeel van hun aanpak. Maar hoe ver moet je daarin gaan?

Achter het station ligt één van Tilburgs laatste industriële zones, een groot rangeerterrein en de hallen van onder meer het Werkspoor en Van Gendt en Loos. Dit gebied verandert de komende tijd in een dichtbebouwd stedelijk centrum met nieuwe noord-zuidverbindingen. Bij soortgelijke, grootschalige herstructureringsopgaven pakte de leefbaarheid de laatste decennia nogal bloedeloos uit. Herstructurering was te resultaatgericht en dat resultaat werd te zwart-wit gesteld. Bewoners vertolkten een passieve rol in een topdown structuur. Maar sinds de crisis in de bouwwereld zijn de menselijke maat en sociale componenten weer troef, mede door succesvolle ad hoc projecten in wat de tussentijd is gaan heten.

Bij haar open oproep voor ‘stedenbouw voor de volgende generatie’ neemt het Stimuleringsfonds voor Architectuur aan dat er in die tussentijd ‘voorbodes’ te vinden zijn voor structurele vernieuwing. Anne Seghers en Zineb Seghrouchni dienden met hun bureau RE-Urbanists een plan in dat zij Tussentijds Ontwaken noemden. Door het project Scheuren in de stad, dat het plaatselijke architectuurcentrum CAST in 2008 initieerde, leek Tilburg een goede casus. In het plan Tussentijds Ontwaken wordt de tussentijd benut om potenties bloot te leggen, met name op de rand van een ontwikkelgebied en de aangrenzende wijken. Daarbij levert het eigene en alledaagse van de plekken de belangrijkste input: hoe wordt het gebied gebruikt, waar wordt gewinkeld, gespeeld, gehangen? Welke rondjes loopt men met de hond? Waar zitten mensen op hun stoep in de zon? Waar is behoefte aan maar geen ruimte voor?

Om hier achter te komen gaan Seghers en Seghrouchni langs de grens van de Spoorzone actief opzoek naar wat zij zelf ‘de ruimtes van de ingewijden’ noemen. Zij dwalen door het gebied, inspecteren het gebruik, houden straatinterviews en bestuderen de ruimtelijke verhoudingen. De eerste informatie is al verwerkt in een kaart van de ‘scheuren’, mede op basis van het project van CAST. Dat zijn de plekken die nu of in de nabije toekomst braak liggen, de hallen die leeg staan en de randen die officieel niet bij de Spoorzone horen (maar gevoelsmatig wel) en daarom tussen wal en schip vallen wat betreft bestemming.

Uiteindelijk willen Seghers en Seghrouchni alle scheurplekken en routes opnemen in een online gids. De gids brengt de hele geografie van het randgebied, oftewel de versnipperd liggende ‘scheurplekken’, nauwgezet in kaart, maar biedt – zoals het een gids betaamd – ook alle weetjes over die plekken. Zo geeft de gids inzicht in de verhalen die volgens Seghers en Seghrouchni de binding met leefomgeving bepalen. Dat is wat een nieuw gebied volgens hen vaak mist. Kijken naar wat er al is, en daar gebruik van maken bij het herontwikkelen van een gebied, is volgens hen de strategie van een nieuwe generatie stedenbouwers.

Het is de bedoeling om met de gids reguliere plannen te verrijken. Seghers en Seghrouchni keren zich niet pertinent tegen de grootschalige aanpak van de ontwerpers en ontwikkelaars van de Spoorzone, zij streven naar een ‘synthese van de topdown en bottom-up analyse’. Tussentijds Ontwaken gaat daarom verder dan alleen het verzamelen van specifieke gebiedsinformatie. Op basis van de gids willen Seghers en Seghrouchni ruimtelijke voorstellen doen. Voor die ruimtelijke voorstellen ontwikkelen zij een ontwerpmethode, een soort toolbox voor de toekomst. Door ruimtelijk ontwerp kan zo de essentie van een ‘scheurplek’ versterkt worden. Waarbij ‘leeg’ of ‘niks’ ook een essentie kan zijn.

Het klinkt allemaal nog een beetje abstract, maar daar is het een onderzoek voor. Hoe dan ook is het goed dat er gezocht wordt naar een nieuw ontwerpvocabulaire waarmee de ziel van de stad, het alledaagse en de sociale cohesie een plek vinden in het stedenbouwkundig ontwerp. Met een nieuw vocabulaire zal het nog vanzelfsprekender worden om op piepkleine schaal stedenbouw te bedrijven en verandert de tussentijd van een noodzakelijk kwaad in een waardevolle ontwikkelingsfase. Ook wordt het voor financiers zo misschien makkelijker om ergens in te stappen. Er liggen met zo’n gids in ieder geval een heleboel feiten en mogelijkheden op tafel.

Maar daarin schuilen ook gevaren. Bewoners en gebruikers hebben de waarheid bijvoorbeeld niet in pacht, hun inbreng blijft subjectief en hoeft niet altijd beter te zijn dan een plan van buiten. Of de verhalen en potenties worden vertaald naar platte commercie, waardoor het eigene helemaal verloren gaat. En hoe wenselijk is het eigenlijk om een stadszone compleet te duiden, wat doet dat met de stedelijkheid? Als alle routes en plekjes in kaart zijn gebracht valt er niks meer te ontdekken. Het is te hopen dat Seghers, Seghrouchni en generatiegenoten zich in hun enthousiasme om stedelijke zones te duiden bewust blijven van deze risico’s – en daar misschien zelfs een goede methode voor bedenken.