Nieuws —

Bij nader inzien: de RVS-flat in Rotterdam

Lucia Hogervorst

De RVS-flat uit 1958 werd speciaal gebouwd voor alleenstaande werkende vrouwen, naar ontwerp van een vrouwelijk architect – heel uitzonderlijk in die tijd. Anita Heijkoop en Jacco Bakker, twee bewoners van de flat aan de Suze Groeneweglaan in Rotterdam, verdiepten zich in de geschiedenis van hun appartementencomplex en ontdekten een opmerkelijke historie. Zij schreven er een boek over: De RVS flat in Rotterdam, schone beloning voor vasthoudendheid.

Al in 1938 maakten Rotterdamse vrouwenorganisaties plannen voor een ‘juffenflat’. Alleenstaande werkende vrouwen woonden in die tijd dikwijls bij hun ouders in of op kamers bij een hospita. Alleen wonen was niet betamelijk. Bij gebrek aan geld en bouwmaterialen bleven de plannen echter onuitgevoerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in 1942, kondigde de Duitse bezetter bovendien een algehele bouwstop af. Na de oorlog werd de draad weer opgepakt: de gemeente Rotterdam wees een bouwperceel aan tussen de Beukelsdijk en de Essenburgsingel, en in oktober 1947 werden de schetsplannen voor het ‘flatgebouw voor alleenwonende, werkende vrouwen’ gepresenteerd in het maandblad Vrouwenbelangen.

Maar woningbouw voor alleenstaande vrouwen had na de oorlog geen urgentie. Pas in 1953 behandelde de Rotterdamse gemeenteraad de plannen voor de ‘juffenflat’ opnieuw. Het ontwerp was inmiddels tweemaal gewijzigd en vereenvoudigd van opzet. De oorspronkelijke plannen voor drie aparte gebouwen, met een hoofdgebouw van twaalf woonlagen en twee kleinere gebouwen met vier, werden teruggebracht tot één gebouw van acht woonverdiepingen met 170 tweekamerwoningen. Behalve het dakterras waren verder geen gemeenschappelijke voorzieningen opgenomen. Dienst Volkshuisvesting steunde weliswaar het streven van de Stichting tot bevordering van de huisvesting van de werkende vrouw, maar achtte het ‘door de grote woningnood onder de gezinnen niet verantwoord om tot verwezenlijking van de plannen over te gaan’. De aanpassingen mochten niet baten en het bouwperceel bleef leeg.

Dankzij extra hoogbouwpremie vanuit het rijk kwamen de plannen alsnog in een stroomversnelling. Mevrouw Dekhuyzen-Zeehuisen, woordvoerster en voorzitster van de stichting, vond de Rotterdamsche Verzekering Sociëteiten, kortweg de RVS, bereid het bouwplan te financieren. De RVS had ‘vertrouwen in het solide plan’ en bestemde het flatgebouw voor werkende vrouwen tot beleggingsobject. De gemeenteraad stemde nu ook in met de bouw, echter onder de voorwaarde dat de oorspronkelijke doelgroep uitgebreid werd naar onvolledige gezinnen (eenoudergezinnen en kinderloze stellen). Uiteindelijk kon in 1956 de eerste paal de grond in. Bij die gelegenheid bleek het ontwerp opnieuw aangepast. De Nieuwe Rotterdamsche Courant berichtte dat ‘door een vlotte beslissing van de zijde van de RVS een half uur voor de plechtigheid bekend kon worden gemaakt, dat het aantal woningen nog met twintig is vergroot.’ Zo kreeg het flatgebouw uiteindelijk tien woonverdiepingen met 160 een-, twee- en driekamerwoningen.

Met het ontwerp van architect mejuffrouw ir. W.C.M. Jansen paste de galerijflat helemaal in de functionalistische bouwtraditie van de wederopbouwperiode in Rotterdam. De functionalistische principes ‘licht, Lucht en ruimte’ vormden het uitgangspunt. De 90 meter lange gevel, zichtbaar vanaf de doorgaande weg, is op het westen georiënteerd en ziet uit op een openbaar plantsoen en de Heemraadssingel. Een vijver vormt de afsluiting met het openbaar groen en de verkeersdrukke Diergaardetunnel. Het gebouw omvat zes verschillende woningtypes, variërend van 25 tot 50 m², vier garages en twee winkels. De bordestrap, de entreehal en het ruime trappenhuis ontsluiten de woningen. De liften hebben zes stopplaatsen, telkens halverwege de galerijen.

Jansen studeerde in 1931 af als een van de weinige vrouwelijke bouwkundestudenten aan de Technische Hogeschool in Delft. Ongetwijfeld heeft ze ook colleges gevolgd bij Granpré Molière, die er van 1924 tot 1953 hoogleraar was én fervent aanhanger van het traditionele bouwen. Maar Jansen was veel meer gecharmeerd van het Nieuwe Bouwen, dat vorm en functie combineerde en gebruik maakte van nieuwe bouwtechnieken in gewapend beton, glas en staal. Die maakten de bouw van galerijflats in zakelijke stijl mogelijk, zoals een aantal prachtige voorbeelden uit de omgeving van haar woonplaats Schiedam duidelijk maakten: de Rotterdamse Parklaanflat uit 1933, de Bergpolderflat uit 1934 en de Kralingse Plaslaanflat uit 1938, alle drie van Van Tijen. Ook haar eigen masterpiece voerde Jansen volgens de moderne bouwprincipes uit in een stapelconstructie met dragende muren.
Bij haar ontwerpwerk werd Jansen gefaciliteerd door het gerenommeerde architectenbureau Kuiper, Gouwetor, De Ranitz en Bleeker. Zij was bevriend met mevrouw A. Kuiper-Struyk, en had daardoor contact met haar echtgenoot J.A. Kuiper, partner van het architectenbureau. Jansen kon er gebruik maken van de tekenkamer, en het vergemakkelijkte contacten met de aannemerscombinatie. Saillant detail: Kuiper stond qua bouwstijl dicht bij de Delftse School. Zijn bureau kwam voort uit het architectenbureau van Granpré Molière, alom bekend als tegenstander van hoogbouw. Uitgerekend dit architectenbureau verleende medewerking aan de verwezenlijking van de moderne RVS-flat.

Veel details van de flat zijn terug te voeren op het werk van de Vrouwenadviescommissie te Rotterdam, kortweg de VAC, die de dienst Volkshuisvesting adviseerde en waarin bouwkundig ingenieur Jansen ook zelf actief was. Die details zijn terug te vinden in de vanzelfsprekende indeling en praktische kenmerken als opbergruimte, de ruimte voor het  fornuis en de koelkast en de plaatsing van wastafels en aanrecht. Nieuwe bewoners waren destijds verrukt van het comfort dat de flat bood: de liften, een keuken met boiler, granito aanrecht en een ‘frigidaire’. Boodschappen werden bezorgd via het boodschappenkastje, dat van buitenaf bediend kon worden. Daar hoefde je als bewoner niet voor thuis te blijven, want eens per week kwam de melkboer langs om af te rekenen. Ook voor de meteropnemer hoefde je geen vrijaf te nemen: de elektriciteit-  en gasmeters waren ook vanaf de galerij bereikbaar. Het comfort en gemak van werkende bewoners had duidelijk voorop gestaan bij het ontwerp van het complex.

Destijds was een minimale leeftijd van 40 jaar (!) vereist bij woningtoewijzing. Voor alleenstaande vrouwen met een werkkring als laborante, secretaresse of onderwijzeres betekende zo’n toewijzing enorm veel. Een bewoonster van het eerste uur vertelt: ‘Ik had altijd op kamers gewoond. En toen kreeg ik een eigen voordeur! Dat was iets fantastisch … en toen ik eindelijk de sleutel kreeg – ik wist niet wat ik zag! Dat uitzicht! Mijn eigen uitzicht.’

Een aantal van de eerste bewoners woont nog steeds in de RVS-flat, naast kleine gezinnen, stellen en alleenstaande mannen – met veel plezier, blijkt uit de interviews die de auteurs van het boek De RVS flat in Rotterdam met een aantal van hen hielden. Dat bewijst wel de kracht van het ontwerp, in combinatie met de locatie. De bijzondere ontstaansgeschiedenis van de flat geeft het hoogbouwcomplex zonder meer een extra dimensie. Functionalistische bouw, dat kenden we al, maar een galerijflat speciaal gebouwd voor en door vrouwen nog niet. De beslissing om het gebouw tot gemeentelijk monument te verklaren, hangt in de lucht. Wanneer je de interessante historie van het gebouw overziet, zou het ‘een schone beloning voor vasthoudendheid’ zijn!