Recensie —

Jullie regels of onze regels?

Bart Cosijn

De ruimtelijke ordening, soms ook wel afgekort als RO is een vakgebied waar professionals in werken. Deze RO-ers hadden vroeger een ministerie dat VROM heette. Het vak was goed, het jargon constant en de verdienmodellen deden hun werk. Hans Venhuizen loopt al lang in deze wereld rond maar heeft deze nooit echt als de zijne beschouwd, vaak stapt hij er in door er eerst juist uit te stappen. Waarom dat zo is maakt zijn nieuwe boek Game Urbanism duidelijk.

Venhuizen presenteert zijn boek als een handleiding voor een culturele ruimtelijke ordening. Volgens Venhuizen gaat deze manier van ordenen, ook wel culturele planologie genoemd, over de cultuur van het plannen. Hij zet zich daarmee af tegen het gebruik van culturele uitingen die als een sausje over ruimtelijke ontwikkelingen worden uitgegoten. De eerste twintig pagina’s van het boek doen sterk denken aan Loesje-posters: ‘Identiteit is een werkwoord’ en ‘Alsof doen alsof ook niet gewoon doen is’. Deze handleiding gaat over spelen, over de ruimtelijke ordening als een spel waarbij voor elke nieuwe ronde zowel het doel als de regels van het spel opnieuw worden vastgesteld.

Daarbij zet Venhuizen zich nadrukkelijk af tegen drie tradities in de ruimtelijke ordening. De ruimtelijke planning als een door heren in witte jassen opgelegde orde, binnen de traditie van het naoorlogse modernisme. Later de opkomst van de ontwerper als producent van mooie toekomstverbeeldingen, waarmee het zicht op het achterliggende proces uit beeld verdween. En ten slotte de volledige extase, waarbij de fantastische toekomstbeelden niet alleen gebruikt werden om mensen gerust te stellen, maar om er consumenten en daarmee het geld mee in beweging te krijgen. Echter, ‘De kans dat het lonkende eindbeeld ooit bereikt zal worden, is even klein als de teleurstelling daarover groot zal zijn.’

De spelers in het veld
De twee centrale hoofdstukken in de publicatie heten ‘handboek’ en ‘werkboek’. In het handboek legt Venhuizen vooral de context en de intenties bloot van een aantal projecten, in het werkboek zet hij nauwkeurig de spelregels uiteen die hij bij deze projecten ontwierp. Een van de spellen die als methode het duidelijkst wordt uitgelegd is ‘The making of’. Bij deze benadering laat Venhuizen zien hoe hij met een groep betrokkenen als het ware tijdelijk uit een bestaand ruimtelijk veranderproces stapt, de bouwstenen opnieuw ordent en vervolgens al spelend tot alternatieve uitgangspunten komt. ‘Door aan alle betrokkenen de ingrediënten binnen het veld van verandering ter beschikking te stellen, krijgt iedereen de gelegenheid om zelf het beste idee voor die verandering te bedenken.’ Aan de hand van de herinrichting van het Mheenpark in Apeldoorn legt Venhuizen uit hoe hij de traditionele verhouding tussen bewoners en de gemeente met het spel doorbrak. Het protestfront bij de kritische bewoners bleek minder gesloten dan leek en de ambtenaren werden uitgedaagd om over de onderliggende argumenten in debat te gaan.

De vaders van het succes
In plaats van ruimtelijke projecten een resultaat te laten zijn van óf een compromis waar niemand zich in herkent, óf van een uitgesproken visie waar maar een beperkt deel van de betrokkenen zich in kan vinden, lijkt Venhuizen steeds op zoek naar een aanleiding om mensen bij een proces te betrekken vóórdat de formaliteiten van de ruimtelijke ordening om de hoek komen kijken. Bij het project Des Beemsters dacht Bureau Venhuizen mee over de implicaties van de UNESCO status die deze polder in 1999 kreeg. Het dilemma dat voorlag was dat tussen het beschermen van de Beemster als ruimtelijk stelsel en de polder als onderlegger voor de agrarische economie. Door gebruik te maken van de cultuurhistorie als bemiddelaar tussen deze twee, werkten de betrokkenen aan een nieuw raamwerk voor toekomstige ontwikkelingen, onder meer in de vorm van een Bestemmingsplan Landelijk Gebied.

Wiens hand wordt geleid?
In het afsluitende essay in het boek draait Francien van Westrenen, voormalig medewerker van Bureau Venhuizen, de titel van het boek om: Urbanism Game. Haar tekst is een verslag van vijf gesprekken die ze samen met Hans Venhuizen voerde met professionele spelers in het veld van dit spel. ‘De samenleving verschuift momenteel van hiërarchisch (…) georganiseerd naar een meer op netwerken en horizontale verbanden geordende samenleving’. De topdown planning en de beleving van burgers staan ver van elkaar af. Daartussen ontstaat een nieuw soort speler, een die ‘zelf invloed (wil) uitoefenen op de loop der dingen, (…) de uitslag (wil) kunnen veranderen.’ Over de rol van het spel stelt Van Westrenen dat het werkt als ‘een simulatie van de complexe werkelijkheid’ en daarmee de ruimte biedt ‘om te oefenen en fouten te maken’.

Maar hoe zit het met de verbinding tussen deze speelruimte waar verkeerde keuzes maken is toegestaan en de realiteit van de ruimtelijke ordening zoals deze is vastgelegd in formele procedures, inspraak en wetten? De inspirerende projecten in het handboek laten zien wat de toegevoegde waarde van het Game Urbanism kan zijn. Toch is niet altijd goed te achterhalen bij welke probleemstelling, of lastige projecten, deze handleiding uit te kast getrokken zou moeten worden. Met andere woorden: is het Game Urbanism een nieuwe wijze van ruimtelijk ordenen die integraal een oude kan gaan vervangen, uitgaande van de maatschappelijke veranderingen die worden beschreven, of gaat het eerder om een goed gedocumenteerde handleiding bij het werk van Hans Venhuizen zelf?

De buitenspelval
Terug naar het begin. Het boek opent met een inleiding van Charles Landry, oprichter van Comedia. Landry stelt dat Hans Venhuizen een medestrijder is voor de acceptatie van culturele planologie als een andere manier van ruimtelijk ordenen. ‘Toen mij (…) werd gevraagd een kritische inleiding (…) te schrijven, wist ik nog niet wie Hans Venhuizen was. Nu zou ik willen dat ik hem veel eerder had leren kennen.’ Deze inleiding bij de handleiding is vanuit zielsverwantschap geschreven. Professionals die over en met andere professionals praten over het ondergewaardeerde vak van de culturele planologie. Een mooie persoonlijke beschouwing, wel een die helaas geen recht doet aan de rest van de publicatie. Niet omdat het een slecht geschreven tekst is, maar omdat Game Urbanism juist gaat over het niet accepteren van een vooropgezette ongelijkheid tussen planners en bewoners, tussen landbeheerder en landgebruikers.

Binnen de lijnen van het spel heeft iedereen een gelijke kans, daarbuiten veelal niet. Als het handboek alle spelers wil aanspreken door de kracht van de gedetailleerd beschreven methoden is de isolering van de discipline in een debat over de discipline vanuit een underdogpositie geen goed uitgangspunt. In nuance: een goede handleiding voor ruimtelijk ordenen door een focus op de cultuur van het ordenen zelf gaat dus over de cultuur van de mensen in het veld. Deze handleiding gaat daarmee over de erkenning dat alle menselijke acties een spel zijn, als je het maar als zodanig durft te zien. En daar is Hans Venhuizen absoluut niet bang voor.