Feature —

Over een bureau dat niet wil bouwen

Marieke Hillen

De allereerste opnames van de aardbol gemaakt vanuit de ruimte, hebben mijn kijken en denken voor het leven veranderd. De aarde is ons ruimteschip, onze moeder en de woning van ons allemaal. (Luc Deleu, 2011)

Onder de titel The Knight’s Move presenteert het Haagse Stroom kunstenaars, denkers, en architecten die zich onderscheiden van anderen door ongebruikelijke, verhelderende en inspirerende visies op de stad, stedelijkheid en het publieke domein. Met deze kwalificaties mag Luc Deleu, kunstenaar, architect en visionair, natuurlijk niet ontbreken op de lijst van sprekers.

De beelden van de aarde zwevend in de ruimte én de poëtische benaming die Buckminster Fuller gebruikte voor onze planeet – ruimteschip aarde – hebben Deleu geïnspireerd tot het bedenken van zijn zogenoemde orbanisme. Een stedenbouw en architectuur die bij elke ingreep, hoe klein ook, rekening houdt met de menselijke maat, maar ook met zijn betekenis op wereldschaal. Of zoals hij zelf schrijft ‘Orbanisme beoogt een op planetaire schaal geïntegreerde (steden)bouwkundige ontwerppraktijk en probeert de aarde te beschouwen als de ruimtelijke en maatschappelijke context voor steden en architectuur. Het orbanisme beoogt daarom een evenwichtige organisatie van de aardruimte.’

Behalve Orbanist blijkt Deleu ook een groot relativist; over zijn ideeën, projecten en het orbanisme vertelt hij haast terloops. Zijn presentatie is gelardeerd met de typische  humor waarmee Belgen vaak zo feilloos het absurdisme van onze realiteit blootleggen. Deleu bladert nonchalant door een aantal projecten uit de beginfase van zijn bureau: een nieuwe universiteit in Antwerpen vestigt hij op drie schepen, de Mobile Medium University. Als deze studenten klaar zijn met hun studie bezitten ze niet alleen academische kennis, maar zijn zij ook wereldwijs.
Maar ondanks de hoeveelheid grappen is het hem ernst. Dat blijkt niet alleen als hij zijn Orbanistisch Manifest (1980) in vliegende vaart doorneemt. Dit manifest, zo stelt hij tevreden vast, vat zijn visie nog altijd goed samen. Met zijn werk heeft hij ook het consistente oeuvre geschapen dat hij ambieerde toen hij afstudeerde en peinsde over de vraag hoe een architectenbureau eruit moet zien dat niet gaat bouwen of sterker, dat niet wil bouwen! Het grootste deel van zijn lezing wijdt Deleu aan De Onaangepaste Stad (D.O.S), een stedenbouwkundige studie naar een alternatieve invulling van de stedelijke ruimte waar het bureau van 1995 tot 2004 aan werkte.

Deleu’s stedenbouw is een consequente uitwerking van drie kritische vooronderstellingen namelijk dat stedebouw zich beperkt tot het bepalen van de noodzakelijke volumes, de infrastructuur en de diensten; stedenbouw interfereert niet in het privédomein; en stedenbouw legt multinationals en instituties beperkingen op die in het voordeel zijn van iedereen. Deze stedenbouw is daarmee een directe weerspiegeling van Deleu’s zijn eigen kritische maatschappijvisie en het orbanisme.

Zelf verwoordt hij het als volgt: ‘Het centrale thema is het zoeken naar een onuitgegeven vorm en organisatie van wat een stad tot stad maakt, naar wat het dagelijks leven aangenaam maakt en zin geeft aan de openbare ruimte: een autonome, driedimensionale en monumentale (infra)structuur, een voorbeeld van de hedendaagse samenwerking tussen private en openbare sector; aantrekkelijk openbaar vervoer en een aangename openbare ruimte die op symbolische wijze getuigen van de gemeenschapsidentiteit; een beheerste stedelijke openbare ruimte die binnenin, naar buiten toe en onder de stedelijke luifels beheerst en beheersbaar is en voorzien is van een systeem van openbaar vervoer dat geconcipieerd is als een horizontale lift; een ruimte-park / park-ruimte voor voetgangers in symbiose met de perifere ruimte voor autoverkeer; attracties en voorzieningen voor automobilisten, tussenstations voor automobilisten en voetgangers; een openbare ruimte in de vrije ruimte.’ (La Ville Inadaptée, p.62).

Het onderzoek naar De Onaangepaste Stad begon met een voorstel voor een lineaire stad Usiebenpole op het eiland in de Donau bij Wenen . Op deze 22 kilometer lange strook zette hij in eerste instantie 1000 Unité – nou eenmaal het beste appartementengebouw dat er is – om zich vervolgens af te vragen hoe hij de openbare ruimte moest opladen. Hoeveel horeca, hoeveel maatschappelijke functies, welke geneeskundige faciliteiten, waar wordt er gesport etc.? Deze vragen waren het begin van een eindeloze datastudie die hij vervolgens prachtig verbeeldt – ‘omdat ik mijn tekeningen nou eenmaal moet verkopen om als niet bouwend architect te kunnen leven‘. In de loop der jaren is deze onaangepaste stad uitgegroeid, complete stadsdelen met namen als BricaBrak en DinkyTown zijn toegevoegd. Het project eindigde met een 1850 centimeter lange maquette – 1/100ste van een zeemijl – van VIPCity, die in 2004 werd gepresenteerd in het MUHKA (Antwerpen). Sinds 2006 is Luc Deleu bezig met een nieuwe studie ORBAN SPACE, een studie naar stedelijke ruimte op wereldschaal.

De metastudies leveren prachtige, sterk formele beelden, vergelijkbaar met zijn kunstwerken in de openbare ruimte. Inhoudelijk zijn de beelden echter veel lastiger te verteren. De theorie en datawolk die schuilgaan achter de beelden worden niet even in een avondje begrepen.
Hoe moeilijk zijn werk te doorgronden is, blijkt als het publiek aan de beurt is om vragen te stellen. Hoewel het voor het overgrote deel uit vakgenoten bestaat, worden er nauwelijks inhoudelijk kritische vragen gesteld. Eerder geven ze blijk van het klassieke onbegrip voor de papieren architect en zijn keuze niet te willen bouwen, zoals de vraag: ‘Wat laat je als architect/stedenbouwer na als je niet bouwt?’ Een merkwaardige omdraaiing. Deleu kaatst de bal terug en zegt: ‘ik ben een architect die niets wil‘. De vraag van stedenbouwers en architecten moet zijn wat kan of wil ik – architect/stedenbouwer – met het werk van Deleu. Zijn consequent doordenken van het Orbanistich Manifest, waarbij de mens en het ruimteschip aarde centraal staan, heeft nog niets aan geldigheid ingeboet en lijkt juist nu het bestuderen meer dan waard. Het is daarom goed dat Stroom het niet bij deze lezing houdt maar het werk van Deleu de komende tijd onderzoekt en er volgend jaar een grondige beschouwing (tentoonstelling en boek) aan wijdt.