Recensie —

Twee boeken over nieuwe museumgebouwen

Lotte Haagsma

In twee recente publicaties over nieuwe museumgebouwen, Beyond the Black Box and the White Cube en Schetsen voor een Nationaal Historisch Museum, draait het om verhalen vertellen, beleven, ontmoeten en koffiedrinken – liefst met spectaculair uitzicht op stad of natuur.

De vorig jaar verschenen publicatie Beyond the Black Box and the White Cube, met de ondertitel: hoe we onze musea en theaters kunnen vernieuwen, lijkt een beetje op de Ikea-gids. Het biedt voor ieder wat wils: doet u mij maar het dakterras van het Casa de Musica, het uitzicht van het ICA in Boston, de etalage van het Schunckpaleis en – vanzelfsprekend – net zo'n hal als de Tate Modern heeft. Een ‘rijk en gevarieerde cultuurbezoek’ hangt hier niet af van het getoonde of gespeelde, maar van het aanbod er omheen. Met, naast de ruimgesorteerde winkel en het hippe restaurant, bijzondere programma's in de ontvangsthal. Je vraagt je af voor wie dit boek geschreven is, de meeste Nederlandse musea en theaters zijn immers al lang bezig met de vernieuwingen die in Beyond the Black Box and the White Cube worden geadviseerd. Denk aan de Stadschouwburg in Amsterdam en de Schouwburg Rotterdam, die hun benedenverdiepingen tot grand café hebben omgebouwd, het Muziekgebouw met terras aan het IJ en het Stedelijk Museum met zijn nieuwe entree aan het museumplein. Inderdaad, voorbeelden uit de grote steden, maar ook in de kleinere steden blijft men niet achter. Het boek leest dan ook meer als een verzameling best practises, een handig afvinklijstje voor wie met zijn cultuurtempel de stap naar de 21e eeuw nog moet maken, dan als een eyeopener voor de pionier.

Laatst bezocht ik de opgeknapte oudbouw van het Stedelijk Museum, die sinds oktober 2010 weer open is voor publiek. Een typisch voorbeeld van een klassiek museumgebouw uit de negentiende eeuw, toen kunst nog iets verhevens was. Letterlijk steeg ik enkele treden op naar de hoofdingang, om na het kopen van een kaartje de majestueuze trap te beklimmen richting hoofdzaal. ‘Forten’ en ‘schatkamers van onze beschaving’, noemen Valentijn Byvanck en Erik Schilp dit type museum in de recent verschenen publicatie Schetsen voor een Nationaal Historisch Museum, en dat concept is volgens hen onherroepelijk achterhaald. Hun ideale museum is een merk, een logo – innl – dat op de meest uiteenlopende dragers kan worden geplakt. Toch kan hun overalmuseum niet zonder een gebouw. Waarom? Omdat de fysieke plaats de beleving van de geschiedenis compleet maakt, aldus de twee.

Het NHM komt voort uit de politiek, het is een initiatief van Jan Marijnissen om de Nederlandse identiteit te versterken. Een reactie op de existentiële verwarring waarin ons land al ruim een decennium verkeert. Na veel discussie over de locatie – naast het openluchtmuseum in Arnhem of toch beter in de stad langs de Rijn – besliste staatssecretaris Halbe Zijlstra bij zijn aantreden dat er geen geld beschikbaar komt voor een nieuw museumgebouw. Toch geven de directeuren van NHM hun droom van een eigen stek niet op. Samen met het Berlage Instituut onderzochten zij waar dit 21e-eeuwse museum over de Nederlandse geschiedenis aan zou moeten voldoen. Drie architectenbureaus, het Belgische 51N4E, het Rotterdamse MONADNOCK en het Italiaanse baukuh, schetsten vervolgens voor hoe hun ideale Nationaal Historisch Museum er uit zou zien.

51N4E ontwierp een enorme open hal. Aan een kant afgesloten door een wand met faciliteiten als kantoren, werkplaatsen, winkel en restaurant. Het bureau benadert het gebouw als een distributiecentrum dat zo soepel mogelijk grote hoeveelheid wisselende presentaties en mensen kan verstouwen. Het Italiaanse baukuh bedacht iets soortgelijks, maar dan als een Romeins forum. Hun grote open ruimte heeft geen dak. Dit NHM biedt alle ruimte voor samenkomst en ontmoeting; markten, concerten, politieke betogingen, beurzen, noem maar op. Waarom dergelijke evenementen in een museum moeten plaatsvinden wordt niet duidelijk gemaakt. Alleen MONADNOCK zoekt naar een hedendaagse variant van het klassieke museum. Bij dit bureau ligt de aandacht niet op een flexibel indeelbare ruimte, maar op een schijnbaar oneindige aaneenschakeling van ruimtes, groot en klein, waar men eindeloos doorheen kan dwalen. In dit meer monumentale museum kun je de afzondering zoeken, de concentratie in een afgelegen kamertje met dat ene bijzondere object, of juist de confrontatie van het debat in een van de grote ruimtes.

Blijft de vraag of je in deze tijd van enorme bezuinigingen op cultuur wel een nieuw museum moet willen bouwen. Nog afgezien van lopende discussies over leegstand en duurzaamheid. Waarom wordt het pas opgeknapte Paleis op de Dam niet betrokken? Als men de waarde van een fysieke vestiging wil benadrukken, is dit historische pand aan het centrale plein van onze hoofdstad toch dé plek voor het NHM? Bovendien zijn alle belangrijkste elementen uit de ontwerpen van de drie bureaus er aanwezig: een grote verzameling grote en kleine zalen met een open ruimte voor de deur waar evenementen en betogingen kunnen worden gehouden. De koningin kan er gewoon haar gasten blijven ontvangen – na vijven, als het museum gesloten is voor publiek.