Recensie —

Frank Havermans 1:1 in SM’s

Luc de Vries

Frank Havermans is een maker. Uit gebruikt hout en multiplex maakt hij – veelal tijdelijke – architectonische objecten die door constructie en vorm een nieuw licht werpen op de context. Het Stedelijk Museum ‘s Hertogenbosch (SM’s) toont een doorsnede van zijn oeuvre.

De eerste ruimte biedt een kennismaking met het werk: een grote hoeveelheid maquettes in natuurlijke materialen; karton, hout, mutiplex. Per ontwerp zijn het veelal series, oplopend in grootte en mate van detail. Ze geven de werkwijze van de maker weer; zoekend en proberend, tastend als het ware naar de beste oplossing, de mooiste verbeelding van het idee. De laatste maquette is het uiteindelijke object, schaal 1:1. Daarvan staan er drie opgesteld.

KAPKAR/TT-C2P heet het eerste object: een multiplex beest op vier poten met een gestreepte huid en een platte kop. Het blijkt bij nadere beschouwing een minibioscoop te zijn waarin je onderuitgezakt – op een multiplex zitting weliswaar – kunt kijken naar een film van het wordingsproces van het object. Pas als je binnen bent en goed kijkt naar de opbouw van de wand zie je dat de strepen op de buitenzijde geen versiering zijn maar een wezenlijk onderdeel van de constructie uitmaken.

Het tweede object hangt aan de wand. KAPKAR VH 55 is een voor deze tentoonstelling gemaakt object waarin de keramiekcollectie Van Haaren wordt getoond. Het bestaat uit grote geknikte spanten van multiplex waartussen een meanderende balk is gemonteerd waarop en waarin de keramiek een plaats vindt. De vormgeving van de onderdelen volgt niet de logica van het materiaal en is eerder verwant met die van staal, zoals bijvoorbeeld toegepast in de geknikte poten van havenkranen. Ironisch is het object wel wanneer je in de toelichting leest dat Havermans zijn constructies nooit berekend maar al doende tot een voldoende stevige oplossing komt. Dat lijkt een waagstuk bij het exposeren van keramiek.

Het letterlijke middelpunt van de tentoonstelling is wat mij betreft ook het inhoudelijke centrum: KAPKAR/TCM-656. Dit is een architectonische constructie pur sang. Tussen twee kolommen is een constructie gemonteerd die zich louter door het inwendige krachtenspel schrap zet en blijft hangen. Ook voor de leek is inzichtelijk dat hiermee grote krachten gemoeid zijn. Het spel met de constructie, het tot expressie brengen van de krachten is briljant. Met hele eenvoudige middelen, tweedehands multiplex, schroeven, bouten en staalkabel, wordt inzichtelijk gemaakt hoe die krachten werken. Je ziet hoe een trekkracht in de staalkabel omgezet wordt in een drukkracht op de muur om zo te blijven hangen. De constructie bestaat bij nadere beschouwing uit vijf in elkaar schuivende delen. Elk deel is van een andere partij gebruikt multiplex gemaakt waardoor er een subtiel kleurverschil tussen de delen ontstaat. Dit object kan niet bestaan zonder context. Het veelvormige en uit sleetse materialen geconstrueerde ding zet letterlijk en figuurlijk de context van de witte gladde museumwanden op spanning.

De volgende ruimte is gevuld met aan draden hangende houten objecten. Bijna alle objecten bestaan uit een lang recht deel dat vervolgens versplinterd in een gefragmenteerd en veelvormig bos van latten. Volgens de begeleidende tekst betreft het een nieuw onderzoeksveld van Havermans: stedenbouwkundige modellen. Hoewel het spannende vormen zijn, is mij niet duidelijk wat de waarde of betekenis voor een stad zou kunnen zijn. Maar het blijkt de opmaat voor het werk in een naastgelegen ruimte. Daar staat een grote zwartgeschilderde maquette als een spin in de ruimte. Het is TOFUD-Zuidas, een voorstel voor de toekomstige ontwikkeling van de Zuidas in Amsterdam. En inderdaad, wanneer je dichterbij komt kun je het stedenbouwkundig patroon van de Zuidas en omgeving herkennen. Het voorstel in de maquette is, als je dit als gebouwd voorstel probeert in te denken, van een gigantische omvang. Een soort stad als in de film Metropolis. Evenals in de hangende ‘stadsvoorstellen’ is er sprake van een versplintering, van een deconstructie wellicht van de bestaande opvattingen van de stad. Het werk doet mij sterk denken aan de voorstellen van Daniel Libeskind voor Berlijn. De ‘sporen’ van de cirkelzaag in de multiplexvlakken dragen hier ook toe bij. Het ziet er prachtig uit maar wat de bedoeling van dit zeer abstracte voorstel precies is blijft in het midden.

Wanneer je daarna terugkeert naar het begin van de expositie realiseer je je dat er louter objecten en maquettes getoond worden. Foto’s van gerealiseerd werk, zoals locatiegebonden objecten, verbouwingen en interieurs, ontbreken geheel. Dat is een bewuste keuze geweest maar daardoor blijft er ook veel onbelicht, want het werk van Frank Havermans lijkt op zijn best wanneer er een concreet ding gemaakt moet worden op een specifieke plek; een installatie, een interieur, een boomhut. Juist in context spreekt het werk het meest tot de verbeelding. Vandaar dat de constructies die bedacht zijn voor een expositieruimte in het museum het meeste spreken. Niet in abstracte stedenbouwkundige voorstellen, maar in een directe en beeldende vertaling van een idee over de context, zit de kracht van het werk, vooral omdat de objecten, door de tactiliteit van het materiaal en het precieze inzichtelijke construeren, heel direct te ervaren zijn. Het zijn in feite contextuele ervaringsmachines.