Recensie —

Op zoek naar ‘de geur van wilde beesten’

Leo Oorschot en Lotte Zaaijer

Volgens Alexander Pechtold nodigt de huidige indeling van de plenaire zaal in de Tweede Kamer niet uit tot fel debat, terwijl het debat juist de kern is van onze democratie. In de tentoonstelling Theaters van Democratie presenteert architectenbureau XML een analyse van tien plenaire zalen en zeven ontwerpvoorstellen voor herindeling. XML toont hierin hoe de architectuur zowel uiting als vorm geeft aan een specifieke politieke cultuur. Wat de belemmerende factoren voor een levendig debat in de huidige zaal zijn blijft echter gissen.

D66-aanvoerder Pechtold uitte zijn bezwaren op de huidige indeling van de plenaire zaal, toen hij  in 2009 te gast was in het programma Zomergasten. In de door Pi de Bruijn ontworpen plenaire zaal is te weinig interactie en de rolverdeling van de Kamerleden is met de huidige indeling moeilijk te duiden voor buitenstaanders. In het Britse House of Commons zitten coalitie en oppositiepartijen juist direct tegenover elkaar, op ‘tweeënhalve zwaardlengte’ afstand als in een strijdperk. Het debat is direct en de rol van iedere politicus is helder. Ook de Oude Zaal waar de Tweede Kamer tot 1992 vergaderde nodigde meer uit tot debat, aldus Pechtold. Uit beelden van deze zaal spreekt interactie en betrokkenheid. De Oude Zaal dankte zijn intieme karakter onder meer aan de toename van 100 naar 150 Kamerzetels in 1956 waardoor in één klap 50 nieuwkomers erbij kwamen in de zaal. Volgens Pechtold beschreef Van Mierlo het contrast in sfeer treffend: “In de Oude Zaal hing ‘de geur van wilde beesten’, in de nieuwe zaal ruik ik niets.”

Vergelijking van tien plenaire zalen
De tentoonstelling laat een zorgvuldige analyse zien waarin de plenaire zaal in de Tweede Kamer is vergeleken met negen zalen van parlementen in andere westerse democratieën, van de Deutscher Bundestag, de Riksdag in Zweden tot de Camera dos Duputados in Brazilie. Met de analyses laat XML zien hoe architectuur regering, kamerleden, media en publiek met elkaar in verband brengt.

De Nederlandse zaal blijkt opvallend ruim van opzet. Vergeleken met de doorsneden van andere plenaire zalen is die van Nederland breed, de kamerzetels zijn luchtig verdeeld over de ruimte. Zeker vergeleken met het zeer compacte Britse House of Commons. In de meeste plenaire zalen zijn de stoelen opgesteld in een halve cirkel, zoals een amfitheater. Coalitie- en oppositiepartijen zitten in deze opstelling naast elkaar. De plaats van de regering wisselt. In Nederland zit de regering tegenover de volksvertegenwoordiging, maar in Denemarken en België maken zij deel uit van de halve cirkel met volksvertegenwoordigers.

In het Nederlandse ‘theater van democratie’ zijn de afstanden tussen spreker, regering en fractievoorzitters bij de interruptiemicrofoons relatief klein. Het theater blijkt zich met name binnen deze driehoek af te spelen. De overige volksvertegenwoordigers kijken vanaf een relatief grote afstand toe, net als het publiek. Gelukkig is het zitcomfort van de kobaltblauwe ‘tulp’ bijzonder goed, het is een luxe fauteuil, vergeleken met de klapstoelen of banken in overige plenaire zalen. Mediabeelden laten zien hoe Kamerleden hier tijdens debatten peinzend in achteroverleunen, luisterend naar de interactie tussen spreker en fractieleden. Terwijl wij de beelden bekijken vragen we ons af waarom niet alle volksvertegenwoordigers actief meedoen met het debat, zoals in Engeland. Is dit te wijten aan onze politieke cultuur of aan het zitcomfort van de stoelen in combinatie met de afstand van parlement tot de sprekers en interruptiemicrofoons? Zou er ineens een pittiger debat ontstaan als de Nederlandse politici zouden uitwijken naar het Engelse House of Commons of de Oude Zaal?

Voorstellen voor herindeling plenaire zaal
In de vorm van maquettes presenteren studenten van de TU Delft zeven ontwerpvoorstellen voor de herindeling van de plenaire zaal. Ze laten zien hoe de bijna twintig jaar oude plenaire zaal afgestemd kan worden op de politieke cultuur van de 21ste eeuw. De studenten benaderen dit allemaal vanuit een andere invalshoek. In het voorstel ‘De (in) formele Kamer’ maakt Bas Barendse bijvoorbeeld onderscheid tussen plekken voor formeel en voor informeel debat. In zijn Kamer staan oppositie en coalitie tegenover elkaar, zitten deelnemers aan het formele debat op de eerste rijen en vindt informeel overleg achterin de zaal plaats. Milan Bergh stelt vast dat het politieke debat steeds meer buiten de plenaire zaal plaatsvindt, bijvoorbeeld in de media, zoals talkshows. In zijn voorstel ‘Big Brother Kamer’ stelt hij voor om alle debatten weer samen te brengen in de Tweede Kamer. Deze bestaat daarom uit een serie Kamers, waarin iedere Kamer is afgestemd op een specifiek debat (talkshow-, plenaire-, Europakamer).

Kritiek op huidige zaal?
Met de analyse en ontwerpvoorstellen geeft XML een overzicht van architectonische middelen waarmee een specifieke politieke cultuur kan worden vormgegeven en gerepresenteerd. Hiermee tonen zij aan dat architectuur een prominente rol speelt in de totstandkoming van het democratisch debat in de plenaire zaal. XML had geen betere locatie uit kunnen kiezen om dit onderwerp op de agenda te zetten: in de passage van de Tweede Kamer, voor de welbekende lange roltrap. Laat politici vaak langs de tentoonstelling lopen en de rol van architectuur weer op waarde schatten!

De vraag die echter onbeantwoord blijft is wat nu de kritiek van XML is op de huidige plenaire zaal en wat voor hen de aanleiding vormt voor herontwerp. Het bureau brengt overeenkomsten en verschillen tussen de architectuur in de diverse plenaire zalen aan het licht, maar er ontbreekt een conclusie. Klopt het dat de huidige plenaire zaal niet uitnodigt tot levendig debat, zoals Pechtold beweert? Zo ja, welke factoren belemmeren dit dan? Sluit de ruime opzet van de zaal niet (meer) aan op de huidige politieke cultuur? Is er teveel zitcomfort of is de afstand tot de sprekers te groot? Is de ‘geur van wilde beesten’ wel alleen op te roepen met vormgeving? Is het gebrek aan felheid in het debat niet mede te wijten aan de organisatie van de politieke partijen?