Recensie —

Trakteren

JaapJan Berg

Het verschijnen van een nieuw architectenboek is vergelijkbaar met een traktatie. Een feestelijk moment waarop productie, visie en ambities van een of meer architecten naar algemene verwachting op coherente en integrale wijze worden gepresenteerd. Het is ook een traktatie voor het bureau zelf. Een boek over het eigen werk is immers een dankbare geste, maar ook een impuls voor het eigen werk. Ook Annette Marx en Ady Steketee trakteerden ons en zichzelf recentelijk met een boek over hun werk: Cumulus. Werk en ideeën van Marx & Steketee architecten.

Cumulus verschijnt na een periode van ruim twintig jaar waarin het bureau aan de weg timmerde met meer dan tweehonderd projecten, waarvan er ruim veertig werden gerealiseerd. Die productie is een bron waaruit geput wordt voor twee elementen in het boek: een selectie van tachtig werken met bijbehorende omschrijvingen én een beeldessay over zestien projecten door Rene de Wit.
Marx en Steketee kozen bij de samenstelling van hun traktatie voor een opeenstapeling van ingrediënten: thema’s, ideeën, onderzoeken, abstracties, beelden en visies. De titel Cumulus verwijst naar die opzet. De aanpak past goed bij het werk en signatuur van dit bureau. Het werk van Marx en Steketee kenmerkt zich door een grote variëteit. Belangrijk daarbinnen zijn de projecten waar de architecten hun kennis en interesse tonen voor interventies en transformaties van historische gebouwen. Tot de meest bekende voorbeelden op dat gebied behoren ongetwijfeld de Grote Kerk in Veere, het universiteitsgebouw aan de Drift in Utrecht en het klooster voor de Fraters van Tilburg in Vught. In deze categorie werkt het bureau momenteel bovendien aan interessante opgaven voor het (eerder door brand verwoeste) Armando Museum in de Elleboogkerk in Amersfoort en het GeoFort (geografisch museum) in een voormalig fort van de Hollandse Waterlinie. Dit specifieke aspect van het werk van Marx en Steketee wordt in Cumulus verder belicht door een essay van Paul Meurs, deeltijdhoogleraar Restauratie aan de TU Delft. Meurs behandelt daarin hun omgang met hergebruik en restauratie, die hij illustreert aan de hand van vier projecten. Meurs benoemt nadrukkelijk de typerende architectonische benadering van historische continuïteit en de zorgvuldige aandacht die de architecten besteden aan historische gelaagdheid en lokale kwaliteiten.

Die twee aspecten vormen, op verschillende wijze, ook de uitgangspunten voor twee andere bijdragen aan het boek. Tijs van den Boomen wijdt uit over een anderhalve kilometer lang voormalig spoorwegemplacement in Eindhoven. Een terrein dat hij goed kent en dat op steenworp afstand van het bureau ligt. Maar vooral ook een gebied dat een gelaagdheid en historische dimensie bezit die de architecten doorgaans fascineert. Van den Boomen is zelf duidelijk gegrepen door de geschiedenis van het terrein en lijkt indirect een voorzet aan Marx en Steketee te willen geven om deze potentiële opgave ter hand te nemen.
Waar Meurs bijdrage ingaat op de verhoudingen tussen verleden en heden die een belangrijke rode draad vormen in het oeuvre, bestaat de bijdrage van Francoise Astorg Bollack uit een korte historische verhandeling over de relatie tussen kunst (en architectuur) en het (her)gebruik van het verleden en historische artefacten. Ze legt daarbij een verband met tussen het werk van Marx en Steketee en de gebouwen van Peter en Alison Smithson en Herzog & De Meuron. Het is een in beginsel intrigerende, maar helaas wat summiere verhandeling die eindigt met de melding dat het een fragment is uit een ander te verschijnen boek.

Het deel van het oeuvre van de architecten dat niet nadrukkelijk een historische component heeft wordt in de publicatie gepresenteerd in het genoemde foto-essay alsmede met projectbeschrijvingen. Uit de door Nicole van Hamond verzamelde citaten van bewoners en gebruikers wordt verder duidelijk waarin de aanpak en vormgeving van het bureau zich onderscheidt. In deze reflecties en reacties op het werk van de architecten klinkt hier en daar wat vrijblijvendheid door. Op enkele uitzonderingen na missen ze scherpte. Hierdoor ontstijgen ze vrijwel nergens het niveau van mijmeringen of losse gedachten. Onduidelijk is daardoor wat precies de toegevoegde waarde van dit element in de traktatie van Marx en Steketee is.
Datzelfde geldt op een andere wijze ook voor de novelle One night stand van Edzard Mik. Het is zeker een lezenswaardig verhaal, maar gaandeweg rijst wel de vraag waar de (verborgen) connectie met het boek en vooral het werk in schuilt. Gezien de basisgedachte achter de opzet is een dergelijk ‘speelse’ en prikkelend bedoelde toevoeging misschien ook wel weer te begrijpen.

Er is echter een ander aspect dat, ook bij de acceptatie van het concept van stapeling, niet zo makkelijk te verteren is. En dat is dat Marx en Steketee nadrukkelijk hebben gekozen voor een cumulatie van elementen zonder zelf het woord te nemen. Natuurlijk is hun visie in zekere zin door de selectie en compositie van het boek heen verweven. En natuurlijk staat hun oeuvre centraal. Maar dat de architecten nergens, de inleiding daargelaten, de gelegenheid aangrijpen zich uit te spreken, is toch wat onbevredigend. In de inleiding doen de architecten een poging om de ontwikkeling van hun werk in relatie tot mondiale ontwikkelingen te presenteren: ‘(…) een architect moet opereren in een wereld die uiterst complex en onsamenhangend is’. Ook de observatie dat de laatste Olympische Spelen duidelijk maakte dat ‘we het einde van een zekere bloeiperiode naderden en dat architectuur als discipline in zwaar weer terecht zou komen’ is intrigerend en maakt nieuwsgierig. Maar er volgt bij dit alles geen vertaling in een visie of mogelijke strategieën voor de toekomst.

Deze keuze kan natuurlijk verdedigd worden door het als een toonbeeld van bescheidenheid te zien. Maar Marx en Steketee slagen door deze omissie wat mij betreft maar ten dele in hun ambitie om uit te dagen en te prikkelen. Eerder blijft het beeld hangen van een kunstmatig gecreëerde stapelwolk, opgebouwd uit externe bijdragen, waarachter zij zich lijken te verschuilen. Cumulus is daarmee een traktatie die een wat hongerig gevoel achterlaat.