Recensie —

Visionair en interdisciplinair: landschapsarchitect Bijhouwer

Joosje van Geest

De onlangs verschenen monografie over Jan Tijs Pieter Bijhouwer (1898-1974) van de hand van Gerrie Andela, beschrijft zorgvuldig de vele facetten van het oeuvre en het gedachtegoed van deze alom erkende landschapsarchitect. Uitgekomen in de reeks monografieën over Nederlandse stedenbouwkundigen wordt bovendien duidelijk gemaakt hoe zinvol de bijdrage van Bijhouwer aan de ontwikkeling van de stedenbouw is geweest.

Als ontwerper, als publicist, als eerste hoogleraar Tuin- en Landschapsarchitectuur in Wageningen, en bijzonder hoogleraar Landschapskunde in Delft, heeft Bijhouwer het jonge beroep van landschapsarchitect vorm gegeven en geprofessionaliseerd. Daarbij streefde hij naar de verzelfstandiging van het tuin- en parkontwerp ten opzichte van de architectuur, maar ambieerde hij ook samenhang tussen landschap en stedenbouwkundig ontwerp, en met het regionale plan. Het landschap is immers stad en platteland. En Bijhouwer heeft vele ontwerpers gevormd en beïnvloed. Bijvoorbeeld met zijn boek Het Nederlandse landschap (1971), waarover Adriaan Geuze in het nawoord van de monografie schrijft dat het permanent is opgenomen in zijn bloedbaan.
Meerwaarde van deze monografie over Bijhouwer is dan ook dat naast de aangetoonde wederzijdse verrijking van stedenbouw en landschapsontwerp, inzicht wordt geboden in de achtergrond en ontstaansgeschiedenis van de discipline Landschapsarchitectuur.

Het nut van archieven
De eerste hoofdstukken van J.T.P. Bijhouwer, Grensverleggend landschapsarchitect geven een chronologisch overzicht van de genoten opleiding, zijn jaren in Amerika en de betrokkenheid van Bijhouwer bij particuliere tuinen, stedelijke parken, wederopbouwwijken en bij fascinerende projecten als de inrichting van de IJsselmeerpolders. De latere jaren zijn verdeeld over hoofdstukken waarin de verschillende activiteiten aan bod komen zoals Bijhouwers publicaties, de bijzondere ontwerpopdrachten als de tuin voor Paleis Den Bosch en de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum, zijn inzet voor het ‘ontspanningslandschap’ (voor massarecreatie) en zijn natuurtalent voor het onderwijs. De grondige beschrijvingen van auteur Gerrie Andela leiden tot informatieve teksten. De lezer reist als het ware door Nederland, langs steden, streken, parken en tuinen en wordt over opdrachtsituatie, gevoerde discussies, planontwikkeling en uiteindelijk geplante bomen en planten verhaald. Vele historische bronnen zijn hiervoor geraadpleegd, zo blijkt uit het notenapparaat en uit de herkomst van de afbeeldingen. Een pleidooi voor het behoud van archieven die inzicht geven in waarom ons land eruit ziet zoals het erbij ligt, is dan ook niet voor niets het achterliggende motief voor de opzet van deze reeks over Nederlandse stedenbouwkundigen.

Plantengeografie

Bijhouwer stond bekend om zijn plantkundige expertise, begin jaren twintig van de vorige eeuw opgedaan in Wageningen en gedurende een fellowship op Harvard. Het opkomende vak plantengeografie bestudeert de relatie tussen groeiwijze van planten en standplaatsfactoren als bodem en klimaat. Zo onderzocht Bijhouwer voor zijn promotie de plantengemeenschap in de duinen bij Bergen. Hij bracht er ‘fietsend, lopend en kruipend’ de planten nauwkeurig in kaart en verbond het met de geologische gegevens als bodemsamenstelling, herkomst en leeftijd van het duinengebied. De kennis over planten en het landschap die dankzij dit soort veldwerk toenam, bracht in Nederland een levendige belangstelling op gang voor inheemse flora en fauna. Eerst al door Frederik van Eeden aan het eind van de 19e eeuw, en later, begin twintigste eeuw, door de bioloog Jac. P. Thijsse die met talrijke (plaatjes)boeken en lezingen over het Nederlandse landschap een enthousiast publiek wist te bereiken. Ook het tuinkunstonderwijs veranderde wezenlijk met de opkomst van de plantengeografie. In plaats van schilderachtige composities zoals tuinarchitect L. Springer voorstond, kwam een wetenschappelijke houding op waarbij een natuurlijke groepering werd nagestreefd. De juiste samenhang tussen planten, bodem en klimatologische omstandigheden werd bepalend voor het ontwerp.

Samenwerking met stedenbouwkundigen
In de jaren dertig werd Bijhouwer gevraagd mee te werken aan de planvorming voor de Kralingse Plas, hierdoor kwam hij in contact met de moderne denkbeelden over stedenbouw en de rol van groen daarin. In stedenbouwkundige kring ontstond steeds meer belangstelling voor het landschap. Met de aanleg van tuindorpen, parkstelsels, parkways en groene wiggen, werd tegemoet gekomen aan de recreatieve behoeften van het toenemend aantal stedelingen.
Op groter schaalniveau raakte Bijhouwer betrokken bij de inrichting van de Wieringermeer en de Noordoostpolder. Net als bij particuliere tuinopdrachten gold ook hier dat de bodem van het land bepalend was bij zijn beplantingsadvies. De verschillen in bodemgesteldheid en daaraan gerelateerd het grondgebruik en bedrijfstype, zou een gedifferentieerde beplanting moeten opleveren. Geen planten ter versiering, maar een rationele houding waarbij planten en bomen in onverbrekelijke samenhang met de andere onderdelen in het landschap werden gedacht. Om de eindeloze weidsheid van de polders een menselijke maat te geven stelde Bijhouwer voor om met wegbeplanting ‘taxeerbare’ compartimenten aan te leggen in overeenstemming met kavel- en boerderijgrootte.

Verenigde Staten
Direct na zijn studie in Wageningen ontving Bijhouwer een fellowship van Harvard waarmee hij in staat werd gesteld om in het beroemde Arnold Arboretum in Boston studie te doen naar inheemse planten. Het verblijf in Amerika werd verlengd met een baan als voorlichter bij Better Homes, een beweging die de gewone man uit de nieuwe suburbs adviseerde over woonhuisarchitectuur, inrichting, tuinaanleg etc. De modernisering van de samenleving, in Europa nog nauwelijks merkbaar, was volop gaande en zou Bijhouwer blijvend fascineren en vele malen doen terugkeren naar de V.S. Mede door zijn huwelijk met een Amerikaanse en later door zijn gasthoogleraarschap aan Rhode Island School of Design werd het land zijn tweede vaderland. De toenemende rol van de auto en de effecten van suburbanisatie, zoals de aanleg van shopping malls en de leegloop van stadscentra, deden hem in tal van artikelen waarschuwen voor de schaduwzijde van suburbanisatie.
Het leidde tot een pleidooi voor de aanleg van ‘ontspanningslandschappen’ en tot een spraakmakend idee voor de aanleg van een parkway tussen Rotterdam en Amsterdam, de Hollandse Groene Zone (1961). Aansluitend werden in de Tweede Nota RO uit 1966 de aanleg van speciale ontspanningsgebieden bij de grote steden voorgesteld.

De teloorgang van het landschap
De holistische visie van Bijhouwer en zijn generatie op het landschap, dat werd opgevat als een weerspiegeling van de moderne geïndustrialiseerde samenleving, werd in de jaren zeventig terzijde geschoven. Het verraad aan Bijhouwer cs kondigde zich daarmee aan, aldus Geuze. Hij schetst in vogelvlucht de bredere context, vanaf de beroemde 17e eeuwse landschapsschilders tot aan de huidige situatie waarin het land is verworden tot rendabel speculatieobject en ruimtelijke ordening op nationaal niveau niet meer bestaat. Het boek eindigt met een oproep van Geuze voor de installatie van een besluitvormingsstructuur waarin visie, schoonheid en lange termijn planning weer bepalend zullen zijn.