Recensie —

Vooruit naar de basis

Piet Vollaard

Het gebeurt niet vaak dat de architectuur, inclusief het ontwerp-, bouw- en gebruiksproces, fundamenteel wordt herzien. Met zijn onlangs verschenen boek ‘Towards a New Kind of Building’ doet Kas Oosterhuis echter een overtuigende poging. Hij gaat daarbij terug naar de basis, of in zijn woorden: ‘Forward to basics’, want het betreft een basis die voorheen nog niet op een dergelijke manier is gedefinieerd. Deze basis theorie gaat verder terug dan vergelijkbare traktaten waarbij de oorsprong van de architectuur wordt voorgesteld als een aantal gebouwcomponenten zoals de kolom, de muur, het dak. Cruciaal is het denken vanuit een verzameling punten die zwermgedrag vertonen.

In veel theorieën over interactieve gebouwen en omgevingen wordt uitgegaan van een soort centraal ‘brein’, veelal een computer, die gestuurd door een ‘alwetend’ of ‘lerend’ programma  informatie uit sensoren oppikt en op basis daarvan gedrag dicteert. Maar een zwerm heeft geen centraal brein, een zwerm bestaat uit een grote hoeveelheid ‘kleine, relatief domme breintjes’ die geleerd hebben om met hun naaste buren informatie uit te wisselen. Het gedrag van het geheel is niet centraal gestuurd, maar komt voort uit een grote hoeveelheid interacties van buren met elkaar. Dat een dergelijke zwerm toch complex en ogenschijnlijk  ‘alwetend’ gedrag kan vertonen weet iedereen die wel eens een zwerm spreeuwen heeft gezien. Er is geen sturende spreeuw die wordt gevolgd door de zwerm, er is sprake van een grote groep spreeuwen die allemaal ten opzichte van de vliegende spreeuwen in hun directe omgeving zowel volgend als sturend zijn. Niet alleen levert dat voor het geheel de meest fantastische, organische vormen op, de zwerm reageert echter ook razendsnel op veranderingen in de omgeving, zoals de nabijheid van een roofvogel. Wie een dergelijk gedrag vanuit een centraal brein wil programmeren, heeft een behoorlijk lastige klus. Maar wie denkt zoals spreeuwen denken, vanuit de punt (de vliegende spreeuw) en zijn informatie-uitwisseling met zijn directe buren, heeft het als programmeur een stuk gemakkelijker, en profiteert van de ‘wisdom of crowds’. Al in de jaren tachtig wist Craig Reynolds met een paar programmeerregels het complexe zwermgedrag uitstekend te simuleren, iets waartoe centraal denkende programmeurs nog steeds niet in staat zijn.

Oosterhuis stelt het gebouw dan ook voor als een ‘puntwolk’, een zwerm punten die onderling met hun ‘naaste buren’ – maar in potentie ook met de omgeving, het klimaat en de mensen in en om het gebouw – informatie uitwisselen. Op basis van die informatie-uitwisseling kan ‘de zwerm’ (het gebouw)  gedrag vertonen. Dat gedrag kan van allerlei aard zijn. Tijdens het ontwerpproces kan het bijvoorbeeld bestaan uit het zoeken naar een optimale verhouding tussen constructie en vorm, om op die manier de in de constructie aanwezige spanningen te minimaliseren. Maar het kan ook gaan om de interactie tussen bruikbaarheid, ingebracht door de functie-informatie in de punten, en het intuïtieve of formele ‘schoonheidsideaal’ van de ontwerper. De informatiestroom kan worden ingezet om het productieproces te rationaliseren. En na realisatie van het gebouw kan deze informatie-uitwisseling en interactie tussen (knoop)punten, klimaat en interieur doorgaan en kan het gebouw worden ‘geleerd’ te reageren op veranderingen in de informatiestroom.

Wie als architect op deze manier denkt, moet voortaan vergeten om primair vanuit het totaal te denken. Het punt – bijvoorbeeld een knooppunt in een constructie, zoals veelal bij Kas Oosterhuis het geval is, maar het zou ook een vlak of een staaf kunnen zijn – is de basis van waaruit gedacht wordt. Dat punt wordt gecontroleerd en geprogrammeerd; het totaal (de zwerm) neemt op basis van  het gedrag van de punten een onverwachte vorm aan en vertoont onverwacht (maar wel gewenst) gedrag. Dat betekent niet dat de ontwerper geen zeggenschap meer zou hebben over de vorm of het gedrag van het totaal, maar wel dat, als hij dat wil veranderen, hij dan opnieuw moet denken vanuit het punt, bijvoorbeeld door de programmeerregels aan te passen of door de informatiestroom van en/of naar de punten aan te passen. Het ontwerpproces (en in potentie het productie- en gebruiksproces) bestaat dus uit het steeds verder ‘fine-tunen’ van aard en gedrag van het punt in relatie tot de aard en het gedrag van het geheel.

‘Towards an New Kind of Building’ is geschreven als een ‘designers guide for Nonstandard Architecture’(de ondertitel) en richt zich vooral op het vakpubliek. Het boek is in vier hoofdstukken verdeeld, die de opeenvolging van stappen naar een nieuwe manier van bouwen (en ontwerpen) volgen. Tussen de meer theoretische hoofdstukken door is er een veelheid aan anekdotes over en referenties aan de dagelijkse bouwpraktijk van Oosterhuis en anderen opgenomen. Het is overigens tekenend dat de titel refereert aan het bouwen, en pas in tweede instantie aan architectuur. De (bouw)praktijk is het uitgangspunt, architectuur is het resultaat. Wie het zwermgedrag begrijpt en accepteert als basis, kan de argumentatie gemakkelijk volgen.
De hoofdstukken refereren telkens aan het gebouw als lichaam. Stap 1 (hoofdstuk 1) is ‘Tag that Body’. Alle gebouwcomponenten (punten in de wolk/zwerm) moeten worden ‘getagd’ om op die manier in staat te zijn informatie over te dragen. Dat betekent veel werk in de beginfase zonder dat dat onmiddellijk tot zichtbaar resultaat leidt. Maar de winst komt in het latere proces.
In de tweede stap, ‘Shape that body’ is het geheel daardoor al veel gemakkelijker te manipuleren. Dat is het moment waarop het idee voor de vorm, voor de esthetiek, kan worden ingebracht. Het is ook het moment waarop meerdere experts; constructeurs, klimaatadviseurs, productiedeskundigen, de architect is er maar één van, desnoods gelijktijdig aan het model kunnen werken, of beter gezegd informatie aan de punten kunnen toevoegen.
 In stap drie verschuift de aandacht van het ontwerp- naar het gebruiksproces. Waar het gedrag in de ontwerpfase nog in de computer plaats vond, is het natuurlijk vanzelfsprekend om dat voort te zetten in de geconstrueerde werkelijkheid. Waarom zou een gebouw stoppen met reageren als het eenmaal is opgeleverd? Als de punten daarop zijn geprogrammeerd, dan is het relatief eenvoudig om interactie met gebruikers en de omgeving te bewerkstelligen, tot en met het bewegend aanpassen van het gebouw. Met zijn Hyperbody groep op de faculteit Bouwkunde van de TU Delft heeft Oosterhuis al meerdere van dergelijke interactieve, bewegende ruimten en constructies gemaakt. Studenten blijken relatief snel in staat een dergelijk gebouw te programmeren en zelf te construeren, zo moeilijk is het dus niet.
De laatste stap is ‘Evolve that Body’, waarin Oosterhuis begrippen als (persoonlijke) emotie en evolutie toevoegt aan de theorie. Uiteindelijk stelt hij ‘buildings in real time’ voor, als onderdeel van een veel groter geheel, bijvoorbeeld het ‘internet of things’, organismen met gedrag en met een autonome evolutie.  

Of het zover komt is de vraag, en als het zover komt zal dat nog wel een of twee generaties duren. Net zoals over de gevolgen van de alomtegenwoordigheid van de hedendaagse social media, kan er ook kritisch worden gekeken naar een toekomstige alomtegenwoordigheid van (door middel van het internet) ‘verbonden dingen’. Wie daarin geen probleem ziet, zou eerst het hilarische verhaal ‘De dingen de baas’ van Belcampo moeten (her)lezen. Intussen is het voor iedereen vruchtbaar om met Kas Oosterhuis ‘vooruit te denken vanuit de basis’, ook voor architecten die vasthouden aan de traditionele topdown benadering van architectuur. Al was het maar om te begrijpen dat het ook anders kan. Wie weet raken ook zij daardoor overtuigd dat het anders moet.