Recensie —

Vraagstuk op een sokkel

Bjorn Houttekier

Het justitiepaleis van Brussel kampt al jaren met een egoprobleem: te groot, onveilig en niet aangepast aan deze tijd. Op initiatief van de Federale Overheidsdienst Justitie en de Regie der Gebouwen werd een internationale ideeënwedstrijd uitgeschreven. De respons blijkt matig, de kwaliteit onder de laureaten soms iets te flauw. Of is het justitiepaleis gewoon te groot, zelfs voor grootse ideeën?

Een luxebordeel, een vluchtelingencentrum, een observatorium, een architectuurschool, een ministerie van hoogmoed. Je verzint meteen een reeks nieuwe functies om het imposante gebouw van architect Joseph Poelaert mee te vullen. Opgeleverd in 1883, toen koning Leopold II Brussel in vorm walste met brede boulevards en monumentale gebouwen, staat het eclectische justitiepaleis al tientallen jaren te twijfelen aan de rand van volkswijk ‘de Marollen’. Met schaamrood op de wangen, want veel van de justitiële diensten trokken de voorbije jaren weg. Een half verlaten pukkel op de onderkin van de Brusselse vijfhoek bleef achter, gedragen door een verholen stalen frame en getooid met enorme blokken natuursteen. De Courthouse Competition, imagine the future! moest de geesten wakker schudden en de discussie aanwakkeren: waar naartoe met deze misbegrepen huls?

Twee ministers, de Brusselse Bouwmeester en een goed bijgewoonde persconferentie in BOZAR laten twijfelende ambitie horen. Een aarzeling tussen budget en branie die een weergave lijkt van de wat vreemde opdrachtopgave. Deelnemers werd namelijk twee scenario’s aangeboden. Of ze schaarden zich achter het motto ‘herinrichting met behoud van justitiële functies’ of ze kozen voor een ‘herinrichting zonder behoud van justitiële functies’. Op zich twee schijnalternatieven die zoveel mogelijk invalshoeken willen bestrijken – een smeekbede bijna om toch maar elk valabel idee op te sturen.

Uiteindelijk kwamen er 188 inzendingen, waarvan 175 aan de criteria voldeden. Een respectabel aantal, hoewel de ideeëncompetitie van enkele jaren terug voor de uitbreiding van Asplundbibliotheek in Stockholm, nog 1170 voorstellen ontving. Dit aanzienlijke verschil kan zowel duiden op de complexiteit van deze opgave als op desinteresse ten gevolge een te stoffige (of niet gehoorde?) oproep. Het feit dat de helft van alle inzendingen afkomstig is uit België (72) en Nederland (19) wijst alvast op weinig animo buiten de buurlanden.

Van de 175 projecten werd een dertigtal als representatief in BOZAR geëxposeerd. Daarbij zochten de tentoonstellingsmakers naar vijf thema’s als leidraad. Die thematisering is betwistbaar. Bij een ideeëncompetitie verwacht je als toeschouwer vooral  een spervuur aan ideeën, desnoods in veelkleurige leuzen en opgeblazen beelden. Nu figureert elk van de dertig voorkeursprojecten op een wit geschilderd hekwerk met een drietal beelden en een korte tekst, waarbij de verwarring tussen opgelegde scenario’s en de nieuw gekozen categorieën, het materiaal tot afgebakende eilandjes versnippert. De beoogde kruisbestuiving wordt zo van wild tot mild geneutraliseerd.

Daarenboven laten de lichtgewicht visies van een aantal uitverkorenen het één en ander vermoeden omtrent de kwaliteit van de resterende inzendingen. De spoeling lijkt dun, zeker nu ook hier de plichtmatige eco-interventies expositieruimte moeten vullen. Voorstellen om het justitiepaleis – een gevaarte van 440 000m³ steen – door middel van zonnepanelen en windvanen tot energieneutraal gebouw om te vormen lijken behoorlijk vergezocht. Er is heus nog menselijke activiteit die het zonder technologische fijnregelarij kan stellen. Het massieve gebouw gewoon laten afkoelen overeenkomstig de buitentemperatuur bijvoorbeeld, en er vervolgens gebedsruimtes voor alle Brusselse geloofsovertuigingen – en dat zijn er nogal wat – te voorzien. De inertie van het justitiepaleis alleen al nodigt uit tot zulke gewaagde voorzetten. Gelukkig suggereert een twintigtal ontwerpers wel degelijk denkpistes die verder reiken dan perkjes op het dak. Het gaat daarbij van snedige humor tot punctuele ingrepen. En waar de ene kiest voor bewuste veronachtzaming, zet de andere in op nauwgezette analyse. Benaderingen die de winnende ontwerpen van zowel T.O.P. OFFICE / EXPO68 als SCALE – beide uit België – markeren.

SCALE speelt het polemisch en tegendraads met een anti-ontwerp dat de relativiteit van stedenbouwkundige betrachtingen probeert bloot te leggen. Naar analogie met oude Romeinse ruïnes die honderden jaren later als onderlegger voor stadsontwikkeling dienen, gebruikten de ontwerpers een afdruk van het justitiepaleis om er een doordeweeks Brussels stratenpatroon over te projecteren. De subtekst lijkt dat het gebouw functioneel en programmatisch ten dode is opgeschreven en nog slechts kan dienen als mal voor stedelijke overwoekering: toekomstloos behoort het zo de banaliteit van het alledaagse toe. Hoe leuk de oprisping van SCALE ook is, ze blijft een beetje bloedeloos. Hun keuze voor de ongenuanceerde triomf van het banale is historisch gezien misschien correct, toch verwacht je hier – zeker van laureaten – een echte visie omtrent de nieuwe bestemming van dit weifelende monument. Een ruïne die stelselmatig vervaagt kan ongetwijfeld meer nalaten dan de treurnis van de voorstad.

Daartegenover blijft het voorstel van T.O.P. OFFICE / EXPO68 verbazingwekkend nuchter. Luc Deleu, ‘Orbanist’ en auteur van enkele opzienbarende plannen voor Brussel (hij suggereerde ooit om het tracé van de hogesnelheidstrein via een fabuleuze halte naast de torenspits van de Sint-Goedelekathedraal te laten lopen), kiest samen met zijn team voor een fijnkorrelige interventie die de ondergrondse sokkel van het justitiepaleis voor het publiek wil ontsluiten. Deze imposante sokkel, die aan de ene kant de flank vormt van de Brusselse laagstad, en aan de andere kant ingegraven ligt in de glooiingen van de hoogstad, wordt door Deleu geheractiveerd om zo het grote manco van Brussel, de verbinding tussen hoog en laag (en vaak ook arm en rijk), te herstellen. Bovenop dit verborgen labyrint blijft het justitiepaleis simpelweg behouden, terwijl de majestueuze koepel een openbare functie krijgt. Als bonus tenslotte voorziet het ontwerp in de heraanleg van enkele straten die bij de constructie van het justitiepaleis werden weggevaagd.

De winst van T.O.P. OFFICE lijkt in de subtiele aanpak van het plan te liggen en de wil om niet zomaar te bruuskeren. Ook andere teams bekeken namelijk de sokkel, alleen is hun aanpak veel explicieter. Via allerlei kunstgrepen (schuine vlakken, vides op een grid, uit de grond oprijzende ‘strip’gebouwen) wordt de onoverzichtelijke kelderverdieping geëxploreerd. De consensus blijkt daarbij keer op keer dat vooral de ondergrond als sleutel tot het oplossen van de wedstrijdopgave geldt.

Nu blijft die sokkel nog relatief makkelijk te vullen. Hij verdraagt de animositeit van een rommelige markt en vergeeft vormfouten door zijn weggeborgen karakter. Het zijn echter de vele lokalen erboven die de werkelijke vragen stellen. Slechts enkele projecten slagen er echter in een indringend antwoord te formuleren. Anderen, die zich bij de passieve insteek van SCALE aansluiten, verzanden in eenzelfde doodlopende verhaal. Zo zien we een uit staal en panelen opgetrokken holle berg, een gigantisch, aan Christo refererend zeil, een tot heuvel opgeworpen stapeling van huizen, en een herinterpretatie van de geodetische koepel van Buckminster Fuller. Allemaal keren ze het justitiepaleis letterlijk de rug toe door het onder nog meer lagen te verbergen. Dat deze maskerade, juist door haar verhullende functie, extra aandacht opeist, lijkt men te negeren. In plaats van het justitiepaleis camoufleren deze voorstellen dan ook voornamelijk het ontbreken van een relevante pointe.

Dan zijn de ontwerpen die het gebouw als object beschouwen of het met humor te lijf gaan meer aan de orde. Tot de laatsten behoort zeker de ludieke rollercoaster van BXLMRS, die de onvermijdbare aanwezigheid van de huidige steigers tot een amusant spektakelstuk verheft. Ook de gevangenis van OLIVEIRA-RUIVO verdient een vermelding: een zwevende schijf met daarin het cellenblok houdt de torenkoepel in bedwang en biedt gedetineerden een prachtig uitzicht over de stad. Plots is de ecologische en economische impact wel pertinent: veroordeelden kunnen na het verdict gewoon de lift in, recht naar hun cellen, zonder wegtransport of begeleidend veiligheidscordon.

Maar het kan ook abstracter. Zo hakt ORG het justitiepaleis in mootjes en schenkt de stukken ‘bouwsel’ aan de verschillende Europese instellingen. Een thema dat navolging krijgt maar slechts hier en daar het niveau van zomaar-een-museum-over-Europa weet te ontstijgen. Zoals het voorstel van OFFICE KGDVS (en partners). Hoewel hun idioom – zoals vaker – minimaal en uitgebeend is, ambieert de gedachtegang internationale uitstraling middels een beheerste (en financieel goedkope) ingreep. Net als bij een hond die zichzelf in de staart wil bijten, beschouwen de ontwerpers het gebouw als object èn tentoonstellingsruimte ineen. Omdat het tentoon te stellen gebouw nergens in past, rest slechts de inzet van een kunstige assemblage: twee witte balken, één plat en één rechtopstaand, vormen balie en liftkoker – die laatste als liniaal onder de magistrale koepel. Verder wordt het justitiepaleis door de architecten niet langer als unicum opgevat, maar gezien als onderdeel van een reeks functieloze monumenten die, verspreid over Europa, de versteende ruggengraat vormen van vergane glorie en uitgedoofde macht: gebouwen als logge mastodonten.

Spijtig genoeg gaat ook de Courthouse competition licht gebukt onder het gewicht van haar ambities, mogelijk uit vrees dat het gepresenteerde enthousiasme wellicht geen gevolg zal krijgen in een alomvattende (politieke) visie. Voor een brede publieke discussie is de respons wellicht te laag; Voor spannende architectuur de Belgische vastgoedbelangen wellicht te hoog. Jammer daarom dat kantoren als BIG, AMO/OMA of REX, die dit soort schaalniveau met bruisende programma’s kunnen vullen, niet hebben deelgenomen aan deze prijsvraag. Je denkt meteen aan de circustent die AMO/OMA enkele jaren geleden middenin de Europese wijk neer pootte, en waar centraal een meterslang boek met de Europese grondwet lag. Want ook dat zou namelijk kunnen: het justitiepaleis gaandeweg vullen met de uitdijende en steeds hertaalde wetgeving van die andere kolos, de eengemaakte Unie. Met als veelbetekenend slotstuk, een volgestouwd gebouw dat traag maar zeker de grond in zakt. Uit schaamte en als tragikomische facelift van Brussel en Europa.