Recensie —

‘t Turfschip

Erik Stekelenburg

Waar ooit het turfschip richting Breda vertrok, aan de zwaaikom van het haventje nabij het centrum van de kern De Leur, opende eind maart sociaal-cultureel centrum ‘t Turfschip. Een typisch en opzienbarend ontwerp van Molenaar en Van Winden Architecten in opdracht van Woonstichting Etten-Leur.

De plaats van vestiging is een niets-aan-de-hand stukje bebouwing zoals je bij veel kleine kernen nabij het centrum aantreft. De locatie ligt aan het water – het woord haventje is te hoog gegrepen, met doodlopende vaart vat je de situatie beter samen. Er is nauwelijks een havenfront, het haventje wordt aan het eind omzoomd door wat gras en een gerestaureerde zeepfabriek van net geen eeuw oud. Op deze identiteitsarme plek komt Het Turfschip over als een regelrechte shock, alsof er een enorme berg identiteit is gestort, een berg identiteit uit allerlei windstreken en culturen, in die zin wordt de functie van haven toch nog gehonoreerd.

Het verzamelgebouw voor zorg, sport en ontspanning maakt deel uit van een cluster voor zorg, wonen en onderwijs. De entree van het gebouw ligt aan het westelijk gelegen haventje en ontsluit meteen de foyer, tevens hal en ontmoetingsruimte. Noordelijk van de hal bevindt zich de receptie en het informatiepunt van de andere delen van het complex, de oostelijk gelegen Brede School, het noordelijk gelegen woon-zorgcomplex Avoord, en Woonstichting Etten-Leur, een hotel en het Turfschip in het gebouw zelf. Hier zit ook de toegang tot de sporthal van de Brede School en op de eerste verdieping voert een loopbrug naar zorgwooncomplex Avoord.

De foyer vormt het centrum van het gebouw, de functies zijn er zo omheen gegroepeerd dat flexibel gebruik mogelijk is; dubbel gebruik met schuifwanden en eigen ingangen voor de sporthal ten oosten met daaronder de muziekzaal, de feestzaal aan de zuidzijde en het restaurant aan de noordkant. Er zijn geen dragende wanden, het gebouw heeft een kolommen- en balkenstructuur. Op de begane grond en de eerste verdieping liggen de vergader- muziek- en ontspanningszalen, dienstruimten en een sporthal. De tribune van de sporthal wordt, samen met 10 hotelkamers voor bezoekers van het cluster, op de tweede verdieping ontsloten. De middengang met galerijen op de eerste en tweede verdieping deelt het gebouw in tweeën, brengt lucht in het volume met vides en doorkijkjes, onder meer op de foyer.

Door de ruime hoge volumes, de zichtbare staalconstructies en de exterieure wandafwerking oogt het gebouw als een hal. De architect Joris Molenaar spreekt over “de traditie van de eenvoudige, robuuste, maar verfijnd gedetailleerde bakstenen architectuur van industrie- en markthallen” De exterieure wandafwerking in de hal en de middengang vloeit voort uit het doorzetten van het schoon buitenmetselwerk van de hoofdmassa’s naar binnen.

Eclectisch
De architect spreekt over inspiratie door de historie: “Een op negentiende eeuwse architectuur geïnspireerd ‘stellend ontwerp’ van een gebouw dat qua karakter bij dit soort haventjes voorkomt.” De inspiratie op de negentiende-eeuwse techniek en vormen wordt met nieuwe techniek en nieuwe vormen ingevuld en is dus heel vrijblijvend.
Ornamenten die teruggaan op eerdere perioden en andere culturen worden afgewisseld door hedendaagse staalconstructies. Niet hedendaags zijn de getoogde ramen en plafonds, ook niet nieuw is dat ze geen constructieve noodzaak hebben, architect Molenaar verwijst naar het Londense museum van Sir John Soane waar een decoratieve koepel hangt.

De techniek volgt de vorm, zo zijn de lage delen van de getoogde plafonds benut voor de installatie. De efficiency waarvoor de nieuwe techniek werd uitgevonden wordt niet per definitie benut, dat toont een zekere onafhankelijkheid. Met de platte daken is sprake van een dergelijke efficiency, maar daar geeft de architect dan redenen voor; hoogtebeperkingen en de mogelijkheid om er later nog iets op te zetten. De architect gaf de daken dan wel een “dakrandafwerking, om het gebouw niet te laten overkomen als een paar platte dozen en bij te dragen aan een fraai silhouet”. De feestelijke accentuering van de feestzaal met obelisken is volgens de architect “direct in het prijsvraagstadium door opdrachtgever en gebruiker herkend en omarmd en daardoor ook nooit meer ter discussie gesteld en dus gerealiseerd.” De waardering van de gebruiker-leek, wordt dus, evenals de invloed van de gevel op de straat, als functie erkend.

Eclecticisme laat zich lastig beoordelen. Een vaak onomstreden criterium als coherentie is moeilijk toe te passen. Je kunt het schijnbaar willekeurig afwisselen van kozijnen met getoogde bovendorpels door kozijnen met horizontale bovendorpels zien als rommelig of goedkoop, maar voor hetzelfde geld is het eclectische halarchitectuur. En als je al mag verwachten dat de bijeen gebrachte elementen door een visie worden verbonden, is het de vraag of en voor wie die visie kenbaar moet zijn. Smaak wordt dan belangrijk, begreep ik toen ik de drager van een mobiele telefoon vroeg naar de reden van zijn ouderwetse-telefoon-ringtone.

Het gebouw past ondanks de historische elementen in zijn omgeving als een ruimteschip na een noodlanding. Niet ongebruikelijk voor een modernisme. Het verhaal van de naamgever van het Turfschip, Het turfschip van Breda, is zelf weer een nieuwe versie van Het Paard van Troje. In het gebouw kun je naar believen weer nieuwe versies van dat verhaal zien. Of je het nu opvat als iets totaal nieuws onder het mom van historische inspiratie of als kitsch onder het mom van bouwen voor de markt. Bezoek het daarom zelf. Daarna kun je nog altijd via het Turfschip de prachtstad Breda in, ook voor daaraan verwante architectuur zoals woongebouw De Marquant aan de Markendaalse weg van dezelfde architecten.