Feature —

Afrika, help ons!

Roos Marijn Limburg

Wat kunnen westerse architecten en stedenbouwers leren van Afrikaanse stedelijke fenomenen? Deze vraag stond centraal tijdens het debat The future of built Africa. African strategies for the Netherlands. Een gemêleerd gezelschap afkomstig uit twee continenten discussieerde over stedenbouw. De bijeenkomst was tevens de kick-off van een weekend vol evenementen rondom Blueprints of Paradise, een prijsvraag waar Afrikaanse ontwerpers hun visie geven op de toekomst van gebouwd Afrika.

WK kijken - foto Brooke Bocast
WK kijken – foto Brooke Bocast

Hoofdspreekster van de avond is de Sengalese N’Goné Fall: architect, curator, kunstcriticus, adviseur op het gebied van cultuurbeleid en redacteur van de in Parijs gevestigde uitgever Revue Noire. Fall is vooral geïnteresseerd in thema's als de Afrikaanse identiteit. Ze houdt een overtuigend en inspirerend betoog over het gebruik van de openbare ruimte in Afrikaanse steden en wat dit kan betekenen voor westerse steden. Fall weet met scherpe anekdotes, mooie referentiebeelden en pakkende slogans op een charmante manier alle aandacht van de zaal voor zich te winnen.

‘Waarom wordt verstedelijking altijd als alarmerend neergezet? Verstedelijking is juist aanleiding tot verandering, het verlevendigt de stad en brengt deze in hogere extases.’ Zo begint N’Goné Fall de avond, trots op haar Afrika. 'Alles kán in de Afrikaanse stad.' De openbare ruimte behoort tot de gemeenschap, alles is geconcentreerd op straat. ‘In Afrika past de stad zich aan aan de mensen, en niet de mensen aan de stad.’ Zelfs een willekeurige motorkap in de straat wordt geconfisqueerd tot handelsplaatsje en als de eigenaar van de auto terugkomt, wordt er onderhandeld over de prijs die de eigenaar moet betalen om zijn of haar auto terug te krijgen. Wat westerse ontwerpers kunnen leren van deze verstedelijking, aldus Fall, is de kracht van het zelfgenerende vermogen. Stedelingen kunnen zelfstandig onderling heel veel bewerkstelligen zodra ze voor de uitdaging gesteld worden, zelfs in een gereguleerde staat als Nederland of Frankrijk waar amper nog ruimte is voor informaliteit. Fall somt een lijst op van sociaal-ruimtelijke aspecten waar in het ontwerpproces ten alle tijden een uitspraak over gedaan zou moeten worden. Het gaat het bepalen van de mate van privaat en publiek, individueel en collectief, orde en chaos, bevroren en flexibel, gedisciplineerd en casual, en legaal en informeel. Tot concrete voorbeelden over hoe er op een ruimere manier met deze begrippen omgesprongen kan worden in westerse steden, komt het in Falls lezing niet. Maar er is wel voldoende stof voor een goed debat, zou je zeggen.

Ik ben zelf koud twee weken terug uit Dakar en zit te kwispelen bij al die herkenbare beelden en verhalen; popelend wachtend op de veelbelovende discussie over wat dit alles voor westerse contreien kan betekenen. Maar helaas, de discussie blijft hangen in de Afrikaanse stad. Het blijkt te moeilijk om de straatvoorbeelden van daar te vertalen naar een voorzichtige benaderingsomslag voor westerse stedenbouw. Mogelijk vanwege het feit dat de maatschappijen met betrekking tot regulering toch te ver uit elkaar liggen, of omdat dat de aanwezige westerse ontwerpers zich graag – met alle goede bedoelingen – bemoeien met ontwikkelingslanden. Wat de reden ook moge zijn, het neemt niet weg dat hierdoor aan het doel van de avond voorbij wordt gegaan.

Het wordt, al pratend over Afrika, wel duidelijk dat het erg ingewikkeld is om een ontwerpinterventie te plegen die de informaliteit van de Afrikaanse stad in haar noden en verlangens bedient. Dit lijkt toch voornamelijk te komen doordat antwoord moet worden gegeven op vragen over beheer, behoud, belang, bekostiging, en huidig en toekomstig gebruik. En dat ligt in de gemiddelde Afrikaanse stad uiteraard nog stukken ingewikkelder dan in westerse steden. Er worden interessante uitspraken gedaan maar de discussie is warrig en weinig constructief. Uiteindelijk, aan het eind van de avond, stelt iemand uit het publiek de vraag: ‘hoe zijn de Blue prints of Paradise prijsvraaginzendingen omgegaan met toekomstig beheer en gebruik?’ Waarna, al tijdens het inschenken van de eerste borrel, de term ‘incrementele strategie‘ valt. Deze strategie had een mooie aanleiding kunnen zijn voor een gesprek over incrementele strategie in relatie tot Falls lezing, omdat het op strategische wijze antwoord biedt op vragen over beheer, behoud, belang, bekostiging en gebruik. Incrementele strategie staat voor een ontwerpbenadering waarin de benodigde basis zoals constructie, overkapping, infrastructuur en water van een gebouw/plein/straat/stadsdeel wordt aangeboden en die vervolgens naargelang de behoeften, inzichten en het vermogen van de gebruiker, zelfstandig ingedeeld en vormgegeven wordt.

Ik denk dat de aanwezigen een stuk wijzer waren geworden wanneer er discussie was gevoerd over hoe een ontwerpstrategie, en bij uitstek een incrementele ontwerpstrategie, een straatvoorbeeld van Fall zou kunnen bedienen. Om vervolgens concreter te worden en te raken aan aspecten als hoe een ontwerpinterventie sturing geeft aan, of faciliteert in, het informele gebruik ten behoeve van hygiëne, werkverschaffing, comfort, trots en veiligheid. De expertise zat in de zaal, maar helaas, het was tijd. Er was ons een avond beloofd over wat het westen kan leren van Afrika, maar de discussie werd opnieuw weer een projectie van westerse ontwerpers op Afrika. Toch ben ik er van overtuigd dat bij veel mensen in het publiek de inspirerende woorden van N’Goné Fall, net als bij mij, nog weken lang hebben geresoneerd.