Feature —

Groene structuur als levensader

Floor Tinga

Het toneel is hetzelfde, alleen de spelers zijn veranderd. De tuinstad vraagt in de 21e eeuw niet alleen om een nieuw scenario, maar ook om de herwaardering van wat deze zo kenmerkt: het groen. Naar aanleiding van de publicatie De Groene Kracht van Yttje Feddes werd tijdens een studiedag onderzocht hoe het verwaarloosde groen weer benut kan worden als vitaal onderdeel van de wijk.

Gijsbrecht van Aemstelpark
Gijsbrecht van Aemstelpark

Bosschages, veldjes, groenstroken en uitgestrekte parken: het is allemaal ‘groen’. In de tuinsteden is dit – volgens sommigen zouteloze – groen in overvloed aanwezig. In de tuinstadgedachte vormde een groene leefomgeving met volop keuzevrijheid in het gebruik het ideaal. Maar zoals dat wel vaker gebeurt met idealen, pakte de werkelijkheid anders uit dan verwacht. Wat ooit het unique selling point van de tuinstad was, wordt nu vooral weggezet als saai, onveilig en anoniem.

Geheel onterecht vindt landschapsarchitecte Yttje Feddes, die de groenstructuur van Amsterdam Nieuw-West aan een analyse onderwierp en publiceerde in het boek De Groene Kracht. In plaats van het overvloedige kijkgroen te benaderen als een onbeheersbare erfenis die nodig gesaneerd moet worden, laat zij zien dat het een waardevol startkapitaal kan zijn voor stedelijke vernieuwing. Als een ingenieus raamwerk loopt dit cultureel erfgoed van het modernisme door de Westelijke Tuinsteden heen. Het vormt een flexibel systeem van aan elkaar gekoppelde groene ruimten die gelijkwaardig is aan het verkeerssysteem. Hoewel Feddes niet ontkent dat een deel ervan zal moeten wijken om aan de huidige woonwensen te kunnen voldoen, pleit ze voor een kwalitatieve aanpak die het raamwerk intact laat.

De publicatie verschijnt nu groen in de stad steeds meer aandacht krijgt. Tijdens een druk bezochte studiedag in het Van Eesterenmuseum, stonden voorbeelden van de transformatie van groen in diverse tuinsteden centraal. Peter Paul Witsen, die het openingsessay in het boek verzorgde, hield een lezing waarin hij het onderscheidende vermogen van de tuinstad toelichtte. Naast dat een groene omgeving voor waardestijging zorgt, zijn de tuinsteden ook goed uitgerust om de klimaatverandering het hoofd te bieden. Overmatig regenwater vloeit gemakkelijker af en bij hittegolven kunnen de temperaturen in een groene omgeving met bijna tien graden schelen ten opzichte van de benauwende binnenstad. Daarnaast zorgt het groen voor een kooldioxidevermindering en wordt aangenomen dat een lommerrijke omgeving de algehele gezondheid bevordert. De tuinstad is dus duurzamer dan je denkt.

Alleen de waarde van het groen erkennen is niet voldoende. Zonder de juiste invulling van de lappen groen, blijft het tenslotte schitteren in anonimiteit. Ieder schaalniveau, van de stoep tot aan het park, vraagt om een eigen oplossing. Een park kan niet langer bestaan uit een kale plas met zeeën van groen eromheen, maar functioneert beter bij een invulling waarin verschillende vormen van recreatie worden onderscheiden. Ook zijn veel van de groenranden die tussen de schaal van het park en de tuin inzitten, te groot voor een verjaardagsfeestje maar weer te klein voor een festival. Dit middelste schaalniveau is wat de tuinstad juist zo uniek maakt en tegelijkertijd het lastigste om te beheren en programmeren. In de open bouwblokken kunnen met hoogteverschillen subtiele overgangen worden gecreëerd van openbaar naar privé, zodat het transparante karakter waarop de tuinstad is gebouwd niet hoeft te worden doorbroken met armetierige schuttingen. Door de stroken groen die dwars door de wijken lopen weer met elkaar te verbinden en bijvoorbeeld te transformeren tot wandel- of fietsroutes, worden de lange lijnen van het groen weer zichtbaar. Belangrijk is natuurlijk wel dat de programmering van het groen in samenspraak met de buurt gebeurt, door de bewoners te betrekken bij de ontwerpfase. Iets wat in de praktijk niet altijd even gemakkelijk blijkt.

Zo werd als voorbeeld van een ‘geslaagde groentransformatie’ het recent opgeleverde CalandparC aangehaald, waarbij de openbare ruimte door gebruik van ophogingen in het landschap subtiel overvloeit in het privé-domein. Tijdens een presentatie van deze hofwoningen die midden in het Osdorpse park gesitueerd zijn, werd veel kritiek geuit. Kritiek die niet zozeer betrekking had op de woningen zelf, maar zich voornamelijk richtte op de ‘collectieve tuinen’ die op elke hoek van de enclaves gerealiseerd zijn. Van overleg met de bewoners was voorafgaand aan de realisatie namelijk geen sprake. Ieder kavel leek hierdoor een vrij willekeurige invulling te hebben gekregen die in principe geen ruimte liet tot initiatief van de bewoners, laat staan dat het uitnodigde tot collectief gebruik. Op die manier ontstaat er groen dat de indruk wekt van collectief gebruik, maar het in werkelijkheid ontbeert.

Om tot de gedroomde herwaardering te komen vraagt het groen om een adequate programmering. Hoe volstrekt logisch dit ook allemaal klinkt, het roept bij sommigen ook vragen op in hoeverre dit niet het zoveelste ideaal is dat op de tuinstad wordt geprojecteerd. Iemand in de zaal merkte op dat architecten en stedenbouwers de Westelijke tuinsteden op handen dragen, terwijl deze wijken maar weinig aantrekkingskracht hebben op de gemiddelde Randstedeling. Feddes lofzang op het groen als startkapitaal doet je in dat licht vermoeden dat liefde blind maakt. Toch geldt ook hier dat het een kwestie blijft van perspectief. Er zijn voldoende bewoners die genieten van de eigen dynamiek van de hedendaagse tuinstad, waarin cappuccino en Dutch Design voor de verandering eens geen dwingende rol spelen.

Door de groene structuur als levensader van de wijk te benutten en de invulling ervan op de actuele wensen van de bewoners aan te passen, ontstaat pas echt de realisatie van het tuinstad ideaal: een groene leefomgeving met volop keuzevrijheid voor de bewoners.