Feature —

GROOT – Architectuur en de stad, kolossen en zwermen

Lara Schrijver

Op woensdag 13 april werd in Rotterdam het congres GROOT gehouden, georganiseerd door de Architect en AIR. Het ging om een herbezinning op het grote stadsgebouw: is het een efficiënte manier om veel diverse functies te huisvesten, of eerder een gevolg van de overmoed die voortkwam uit een tijd van overvloed?

‘The culture of congestion’ werd in de jaren zeventig al door Rem Koolhaas neergezet als beeld van een bruisende grootstedelijke cultuur. In zijn latere werk over ‘Bigness’ stelde hij dat het gebouw met de schaalvergroting een eigen wereld creëerde. Daarmee was de wisselwerking tussen stad en gebouw verdwenen, of vond hooguit nog plaats op het niveau van de gevel. Op het congres werd ‘Bigness’ vooral aangehaald als algemene verwijzing naar een schaalvergroting, en naar het gebouw als stad op zichzelf. Nu, met de economische crisis en een toegenomen besef van vraagstukken van duurzaamheid, wordt er anders gekeken naar deze grootstedelijke wensdroom. Is het per definitie verbonden met het grote gebouw, of zijn er ook andere vormen van grootsheid denkbaar?

De lezing van Christian Rapp onderschreef het belang van het grote gebouw, maar niet zonder meer. Grote gebouwen kwamen vaak voort uit economische veranderingen, maar ‘groot’ omvat meer dan een historische toevalligheid: het is een idee over structuur, functionaliteit en vorm. Met de ‘Grossform’ van Oswald Mathias Ungers en de ‘Zweckbau’ van Adolf Behne als historisch kader toonde Rapp typomorfologische studies van Amsterdam. De grote stadsgebouwen geven met hun monumentaliteit vorm aan een gemeenschappelijke meerwaarde.

Volgens Joan Busquets heeft de stad die meerwaarde an sich, vanwege de concentratie van werk, scholing en faciliteiten. Hij maakte daarbij de kanttekening dat de drang naar een eigen plek ons in het westen naar suburbia en de periferie heeft gedreven, terwijl er tegelijkertijd een heropleving van de stad gaande is. De stad werd zo neergezet als een duurzame samenlevingsvorm. Toch bleef de vraag: is het grote stadsgebouw nu de oplossing, of juist een deel van het probleem? Volgens Busquets was dat vooral afhankelijk van de vorm. Hij liet in een animatie zien dat het grote stadsgebouw geen blok hoeft te zijn, maar ook opgebouwd kan zijn uit verschillende torens.

Na de lunch werden vier meer specifieke vragen uitgediept in parallelsessies, bijvoorbeeld over de relatie tussen architectuur en stedelijkheid, maar ook die tussen opdrachtgever en architect. Opvallend voor de lokale context was de sessie over gebiedsontwikkeling en het genereren van stedelijkheid, waarin de Rotterdamse wens om groots te zijn uitgesproken werd. Vooral het contrast tussen de hoofden van het stedenbouwkundig apparaat in Antwerpen en Rotterdam was schrijnend. Waar Kristiaan Borret (stadsbouwmeester Antwerpen) nog geen vijf minuten nodig had om zijn stelling te poneren en te onderbouwen, zwierf het abstracte verhaal van Astrid Sanson (dS+V Rotterdam) langs de ruimtelijke ordening in het algemeen, de kwaliteiten van het grote gebouw, en alle mogelijke randvoorwaarden die daarvoor nodig zijn.

Borret hield een overtuigend pleidooi voor het grote gebouw als vormgever van de openbare ruimte: “Het belang van het grote gebouw ligt niet in het gebouw, maar daarbuiten, op het stadsplein.” Dit werd kort onderbouwd met het Centre Pompidou, het Antwerpse Stadskantoor en het MAS in Antwerpen. Zijn inzet in Antwerpen geldt dan ook voornamelijk de openbare ruimte. Daarin maakt hij onderscheid tussen primaire en secundaire openbare ruimte. De primaire omvat straten, parken en pleinen. De secundaire zijn bijvoorbeeld publieke interieurs, passages en tweede maaivelden. In Antwerpen krijgt de primaire publieke ruimte de meeste aandacht, op de secundaire wordt ingezet als er voldoende aanleiding en mensen voor zijn.

Die zuiverheid ontbreekt op dit moment in Rotterdam. De vraag van Erik Go (MAB Development), die hoopte dat dS+V duidelijke randvoorwaarden zou formuleren voor de openbare ruimte, werd dan ook niet beantwoord. In plaats daarvan herhaalde Sanson haar lijst van diverse kwaliteiten van het grote stadsgebouw, alsof ze daarmee de huidige grote projecten wilde verdedigen. Dat maakt het des te pijnlijker dat Borret in kraakheldere zinnen kon aangeven waar het probleem in Antwerpen lag: er zijn eenvoudigweg te weinig mensen om in de gehele stad een ‘bruisend stadsgevoel’ te genereren, ongeacht de architectonische moeite die er ingestoken wordt. Hiermee sluit hij aan bij de beschouwing van Angelika Schnell in Reviewing Rotterdam, waar zij wijst op de Rotterdamse wensdromen van grootstedelijkheid, terwijl de stad daar gewoon te klein voor is. In plaats van zich te richten op de werkelijke kwaliteiten van de stad, spiegelt het stedenbouwkundig beleid zich aan een (verouderd) beeld van grootstedelijkheid dat ontleend wordt aan film en reclame.

De crux van de opmerkingen van zowel Borret als het essay van Schnell is een fundamentele vraag waar diverse middelgrote steden in Europa mee te maken hebben. Het discours richt zich op de werkelijke metropolen, maar het inwonertal van Rotterdam ligt niet in lijn met de echte Europese metropolen (laat staan Azië) – Berlijn, Londen, Parijs hebben tussen de twee en zeven miljoen inwoners. Rotterdam hoort bij het rijtje ‘tweede steden’ – Frankfurt, Kopenhagen, Glasgow, Antwerpen, die tussen de 500.000 en 600.000 inwoners hebben. Steden die wel degelijk ‘stads’ zijn, maar geen metropool. Juist hierin zou je kunnen verwachten dat Rotterdam het voortouw neemt. Met aandacht voor de kwaliteit van de openbare ruimte, en de ‘tolerant normality’ van de kleine korrel – die vervolgens ruimte scheppen voor een enkele grootse ingreep. Delirious New York zal het hier niet worden, maar is dat nu werkelijk zo erg? Is er niet een andere vertaling van grootsheid, als een structuur, een systeem dat een ruggengraat vormt voor alle schalen, en een coherentie schept in het stedelijk weefsel?

John Thackara, die de afsluitende lezing gaf, hield zich voornamelijk bezig met alternatieve, gelokaliseerde interventies in de stad. Hij vroeg zich af wat architecten nog zullen doen, nu het voortdurende bouwen van de twintigste eeuw definitief is afgelopen, want volgens hem is het grote gebouw passé. Toch wist hij een beeld op te roepen van een betere toekomst, voortkomend uit verschillende laagdrempelige en kleinschalige initiatieven. Hierbij kan de architect een rol krijgen als regisseur (hij suggereerde een omscholingstraject). De overtuiging die hij uitdroeg heeft dan ook alles te maken met de logica van de zwerm: voldoende zonderlingen die een stukje asfalt openbreken om een moestuin te beginnen, kunnen samen leiden tot een meer duurzame omgang met de aarde.

De ondertonen van Bigness als stedelijk conditie klinken nog door, maar worden nu gezien als een appèl tot grootsheid in het kleinschalige en in hergebruik. Al met al was het een helder traject dat liep van grote architectuur (met name zichtbaar in kolossen als het Groothandelsgebouw en Piraeus) naar de principes van ‘groot’ in de stad (waarbij een grote hoeveelheid kleinschalige interventies, samen – als in een zwerm – tot iets groots kunnen leiden). Als het grootstedelijk gebouw nog een rol heeft als accommodatie van grootschalig programma binnen de stad, kan de vraag ‘hoe en waar?’ beantwoord worden op basis van ontwerpend onderzoek en het ontwerpinstrumentarium van de architect, aldus Willem Sulsters. Wat startte vanuit de architectuur, ging door op de schaal van de stad en eindigde met de vraag of vele kleine ingrepen ook tot grootsheid kunnen leiden. Daarin ligt de vraag besloten naar de rol van de architect.