Opinie —

Middel en doel

Aldo Trim

Tijdens de eindmanifestatie ter afsluiting van de prijsvraag Nieuw Elan voor Buurten uit de jaren ’70 en ’80 presenteerden alle geselecteerde teams hun plannen en werd het juryrapport bekend gemaakt. Er ontstond een interessante discussie met de zaal over het gebruik van eindbeelden. Deze werden door een aantal aanwezigen naar het rijk der fabelen verwezen. Wordt met deze afwijzing een nieuw hoofdstuk in de branchevervaging van architectuur geschreven?

De juiste strategieën voor een eindbeeld maken een goed plan – illustratie auteur

De prijsvraag Nieuw Elan voor Buurten uit de jaren ’70 en ’80 werd georganiseerd door het Stimuleringsfonds voor Architectuur en vier woningcorporaties. In de opgave ging het om de transformatie van stadsvernieuwingsprojecten en wijken uit de desbetreffende periode die, gezien hun ouderdom, toe zijn aan grootschalig onderhoud. Het zal geen nieuws zijn dat deze transformatieopgaven de komende jaren met enige regelmaat zullen plaatsvinden, immers 25% van het huidige woningarsenaal bevindt zich in dergelijke wijken.
De sterk sociaal georiënteerde architectuur en stedenbouw van de jaren 70 heeft geleid tot de zogenaamde Bloemkoolwijken die gezien worden als een belangrijk stedenbouwkundig erfgoed. Maar even zo goed zijn er in hetzelfde decennium minder geslaagde wijken met grote snelheid uit de grond gestampt, de karakteristieke ideologie van die tijd was hier ver te zoeken. Juist deze wijken vertonen veel overeenkomstige problemen en vormden het onderwerp van de prijsvraag.

Een goede transformatie behelst meer dan alleen een pragmatische aanpak van achterstallig onderhoud. Ook demografische, sociale en culturele factoren dienen meegenomen te worden in een visie die eerder een meerjarenplanning zal moeten zijn dan een allesomvattende blauwdruk. Daarmee worden het (abstracte) multidisciplinaire opgaven die boven het vakgebied van de architect en stedenbouwer uitstijgen. In zo’n situatie wordt de positie van de architect anders, namelijk die van mediator van een gezamenlijke transformatiestrategie in plaats van dirigent van zijn totaalconcept. Wat betekent dit voor het product?

De twaalf plannen voor de vier prijsvraaglocaties gaven tezamen inzicht in de diverse methodes die gebruikt kunnen worden voor transformatieprocessen. Voordat het juryrapport openbaar werd gemaakt was het aan de zaal om te reageren op de presentaties. Daar het merendeel van de aanwezigen bestond uit deelnemers werd het een principiële kwestie waarin men probeerde de invalshoek van het eigen plan te verdedigen. Verrassend was de antipathie die gekoesterd leek te worden jegens het gebruik van eindbeelden. Sommige vakgenoten deden dit af als het verkopen van sprookjes want: ‘iedereen kan mooie plaatjes photoshoppen, maar het gaat om het bedenken van een strategie.’ Los van of goed photoshoppen wel of niet voor iedereen weggelegd is, zit er natuurlijk een kern van waarheid in die bewering. De vraag is dan wel of een strategie per definitie het gebruik van optimistische impressies uitsluit.

Een gering aantal plannen bracht een duidelijke visie naar voren, vaker was sprake van een meer gefragmenteerd stappenplan. Dit werd ook goed verwoordt door juryvoorzitter Karin Laglas die het volgende concludeerde: ‘In algemene zin valt het de jury op dat niet alle voorstellen uitgaan van een totaalconcept en consequente uitwerking, maar van uiteenlopende ingrepen. Zij meent dat een goede analyse van de opgave gevolgd door een consequente uitwerking van een totaalconcept, in combinatie met precieze en doelgerichte ingrepen, die indien nodig gefaseerd kunnen worden uitgevoerd, een vereiste is om tot de gewenste verbetering van deze wijken en buurten te komen.’ Goede eindbeelden kunnen dus evenwel onderdeel worden van een strategie, mits ze niet dogmatisch worden.

Het is verontrustend dat er met verve stelling genomen wordt tegen één van de meest essentiële taken van de architect: het vormen en verbeelden van een visie. Het beeld dat een ontwerper presenteert kan complexe processen samenvatten in één helder praatmiddel; het kan enthousiastmeren en mogelijk broodnodige financiële middelen werven. Het beeld triggert kritiek en discussie, niet voor niets ontstond deze ook tijdens de eindmanifestatie naar aanleiding van impressies. Het beeld wordt daarmee een niet te onderschatten inbreng.
In het geval van een transformatie van een wijk kan een beeld vijandig overkomen. Toegegeven, het heeft ook wel iets arrogants; een architect die zelf niet uit de wijk komt en probeert zijn ideaal op te leggen door middel van gelikte plaatjes waarop de zon altijd schijnt en het gras groen is.
Inspraak wordt steeds belangrijker, een strategie als methodiek biedt hier ruimte voor. Met een strategie laat de architect zien de bestaande situatie, de bewoners en de onvoorspelbaarheid van een proces te respecteren. Het lijkt in alles op de ‘klassieke’ tegenstelling tussen de top-down en bottom-up planning; het eindbeeld bedacht op basis van een ideaal, de strategie gevormd door lokaliteiten. Uiteindelijk zal de waarheid ergens in het midden liggen.

Toch wil ik het onderwerp op scherp zetten door te stellen dat door met volle overgave toe te geven aan het denken in strategieën, gekoppeld aan een bijna populistische afkeer van eindbeelden, architectuur nog verder wordt teruggedrongen in de opgaven die voor ons liggen. Het lijkt zo logisch, maar juist de kennis van het ambacht van het bouwen én de gave om uit het niets een betere leefomgeving te visualiseren, zijn de redenen waarom ontwerpers worden gevraagd. De architect is dienend, zeker waar het transformaties betreft. Dit neemt echter niet weg dat het belangrijk is heldere, soms onpopulaire, keuzes te maken en hiervoor te staan. Ervaringen uit het bewonerstraject, dat onderdeel was van de beschreven prijsvraag, wijzen uit dat bewoners dit waarderen, hoe confronterend sommige keuzes ook zijn. Doorslaggevend hierin is wel een tijdige, open communicatie en gaandeweg het traject feedback goed verwerken. Dan staat niets of niemand een prachtig eindbeeld in de weg.

Tot voor kort waren het vooral de voorvechters van de bottom-up benadering die heftig ageerden tegen de totalitaire planning. Logisch, want deze laatste is verantwoordelijk geweest voor veel stedelijk leed. Nu, met grote transformatieopgaven op stapel, is het moment daar om de barricades te slechten en zowel eindbeeld als strategie samen te laten komen. Want een eindbeeld zonder middel om het te bereiken is utopisch, een strategie zonder doel is werken in het luchtledige.