Feature —

Stedenbouw: formuleer je eigen opdracht

Robert-Jan de Kort

In het Schieblok in Rotterdam vond op 29 maart een goed gesprek plaats over de stedenbouwkundige discipline. De avond was georganiseerd door de Rotterdamse Academie van Bouwkunst die momenteel toewerkt naar een lectoraat ‘opdrachtformulerende stedenbouw’. Deze al dan niet ladingdekkende term duidt op een stedenbouw die niet meer primair op uitvoering van stadsuitbreidingen gericht is, maar die in projecten voor de bestaande stad moet formuleren.

Links Jaap Modder, midden aan de mic Eric Frijters en rechts Olv Klijn
Links Jaap Modder, midden aan de mic Eric Frijters en rechts Olv Klijn

Olv Klijn en Eric Frijters van het bureau .FABRIC. leidden de avond in. Zij onderzochten in opdracht van de Academie van Bouwkunst Rotterdam de bandbreedte van 'opdrachtformulerende stedenbouw' en spraken met talloze kopstukken uit de wereld van de stedelijke ontwikkeling. Zij concludeerden dat het opdrachtgeverschap versplinterd is en dat er een gebrek is aan kunde om onderzoek en beschouwing op treffende wijze operationeel te maken. Ontwerp blijft de kernkwaliteit van de stedenbouwkundige, maar deze moet binnen het opdrachtformulerende metier gelijk optrekken met onderzoek en de ontwikkeling van communicatiemiddelen.

Na de introductie volgde een debat in sneltreinvaart over deze profetische vorm van stedenbouw. Moderator Jaap Modder (hoofdredacteur S&RO) stelde openlijk de relatie tussen de stad en de stedenbouw ter discussie. Steden worden momenteel succesvol beschreven door economen en sociologen. Boeken als Aeropolis door John D. Kasarda en Greg Lindsay en Triumph of the City van Edward L. Glaeser zijn echte eye-openers voor het doorgronden van stedelijke ontwikkeling. Modder vraagt zich af waarom dergelijke boeken niet door stedenbouwkundigen worden geschreven. Zijn centrale vraagstelling luidde dan ook: “Met de stad komt het wel goed, maar met de stedenbouw?” Heeft de stedenbouwkundige nog wel een goed verhaal over de stad, het werkterrein waar hij feitelijk van is vervreemd?

Allereerst richtte deze vraagstelling zich op de ontwerpers zelf. Volgens Modder heerst er een gebrek aan zelfkritiek onder stedenbouwkundigen. Met name die binnen stedenbouwkundige diensten van gemeentes – die overigens steeds kleiner worden – en bij projectontwikkelaars, verwijt Modder een 'oogkleppenmentaliteit'.
Martin Aarts (hoofd ruimtelijke ordening DS+V) nuanceerde de gechargeerde veronderstelling dat er zoveel minder stedenbouwkundigen aan de stad werken. Aarts: “Dertig jaar geleden werkten er nul stedenbouwkundigen in de stad. De stadsuitbreidingen waren sexy en daar wilde iedereen aan werken. Dat is de reden dat stedenbouwkundigen alles van woonwijken snappen, maar niet van de stad.” Voorts weet Aarts de huidige onkunde aan de scheiding tussen planologie en stedenbouw. Die leidde ertoe dat stedenbouwkundigen werken zonder data en dat planologen zelf zijn gaan tekenen. Aarts: “Er werken nu meer stedenbouwkundigen dan ooit in de stad, alleen moet de stedenbouw zich opnieuw uitvinden.” Het willen kijken naar economie acht Aarts daarbij noodzakelijk.

Daan Zandbelt van bureau Zandbelt&vandenBerg weerlegde vervolgens de voorstelling van het vak zoals Aarts en Modder die schetsten. Zandbelt is sinds de oprichting van zijn bureau in 2002 alleen maar met de bestaande stad bezig geweest. Ook de door Modder geuite bewondering voor economische en sociologische stadsbeschouwingen nuanceerde Zandbelt: “Economen en sociologen doen geen voorstellen, wij wel.” De stedenbouwkundige heeft een meerwaarde omdat hij richtingen kan schetsen. En investeerders vinden het reuze interessant als er iets te kiezen valt.” Bernadette Janssen van BVR viel hem daarin bij: “Wij krijgen heel veel open vragen.”

Voorts verlegde Modder de discussie richting de publieke sector. Wat is nog de rol van bijvoorbeeld gemeentes bij stedelijke ontwikkeling nu zij steeds minder grondpositie en geld hebben?  Modder: “Misschien hebben we de overheden niet meer nodig.” Als voorbeeld gaf hij New York, waar de gemeente niets doet aan stedenbouw. Er is geen beleid terwijl er een fantastische stad is ontstaan. De Amerikaanse suburbs zijn daarentegen volledig het product van beleid. Het mogen aftrekken van de hypotheekrente en de kosten voor woon- werkverkeer verlaagt de drempel voor een bestaan als forens. Wat is dan nog wel een wenselijke rol van de publieke sector? Eric Frijters dicht de overheden een voorname rol toe als beheerders van kennis. Deze zal dan wel volledig openbaar toegankelijk moeten zijn. Daarnaast kan de gemeente bemiddelen bij projecten.

Tot slot kwam de projectontwikkeling aan bod. Ondanks het vermeende versplinterde opdrachtgeverschap zit deze inmiddels bij vele opgaven in het zadel als sturende partij. Bianca Seekles van ERA Contour en Germaine Sanders van Dura Vermeer straalden dat zelfverzekerd uit. Van alle partijen leken zij zich het meest bewust van hetgeen ze wel konden, in plaats van wat ze niet (meer) konden. Projectontwikkelaars verwachten volgens Seekles van stedenbouwkundigen dat die hun vragen interpreteren door abstracter te denken. Dat het opdrachtformulerende vermogen van stedenbouwkundigen nog geen cultuur is bleek uit Seekles' verhaal. Zij stelde dat zij nog niet zo vaak wordt opgezocht door stedenbouwkundigen. Stedenbouwkundigen wachten de opdracht nog teveel af. Door een te afwachtende  houding dreigt de vakdiscipline gepasseerd door partijen die ook abstract kunnen denken. Wie deze partijen zijn bleef onbeantwoord.
Sanders pleitte voor zo min mogelijk gemeentelijke inmenging in processen op de korte en middellange termijn. Daarin moet de dynamiek van de markt vrij spel krijgen om geld te verdienen. Het opstellen van stedenbouwkundige raamwerken is volgens haar dan ook niet per definitie de rol van de publieke sector. Sanders: “De gemeente moet enkel sturen op de lange termijn.”

Helemaal aan het eind van de avond bracht Sanders het gesprek op de rol van de middellange termijn. Op de middellange termijn kent Sanders het collectief – bewoners, ondernemers – een grote machtsfactor toe. Alleen, het collectief is in Nederland vaak niet georganiseerd. Daar liggen dus grote kansen voor het formuleren van stedelijke projecten waarbij gemeente noch projectontwikkelaars sturend zijn. De middellange termijn wordt – lees ik achteraf – ook in het onderzoek van .FABRIC aangeduid als uitgesproken expertiseterrein van de opdrachtformulerende stedenbouwkundige. Bij nader inzien had de hele avond dus over deze constatering moeten gaan. Wat is deze middellange termijn? Wie zijn daar de spelers en wie houden zich al bezig met deze termijn? En is de stedenbouwkundige inderdaad de aangewezen professional om in deze termijn op te treden? Allemaal vragen die nu onbeantwoord bleven. Het wordt hoog tijd voor agendaformulerende debatkunde.