Opinie —

Visies op de toekomst

Ed Taverne, Dirk van den Heuvel en Patrick van der Klooster

Nu de bijl die staatssecretaris volgende week in de cultuursector zet, naar verwachting nog scherper zal zijn dan die van de Raad voor Cultuur, en de architectuursector daarbij zeker niet zal worden ontzien, wordt het des te meer tijd om een nieuwe toekomst van de basisinfrastructuur voor de architectuursector te gaan nadenken. ArchiNed vroeg een aantal prominenten om ‘ongevraagd advies’ voor de toekomst van de sector. Uit de snelle antwoorden van Dirk van den Heuvel, Patrick van der Klooster en Ed Taverne blijkt de betrokkenheid met de instellingen die nog steeds heerst. Maar het moet wel anders.

De vraag was even vanzelfsprekend als veelomvattend: Welk advies zou je de instellingen van de basisinfrastructuur ASWAL (Architectuur, Stedenbouw, Monumenten, Archeologie en Landschapsarchitectuur) geven, in het licht van de voorgenomen bezuinigingen? Van de antwoorden werd niet verwacht dat ze een allesomvattend, alternatief raadsadvies zouden geven, maar eerder dat ze prikkelende kansen en mogelijkheden van een toekomstige sector schetsen.
Ed Taverne stelt vooral vragen en roept op om de verbroken relatie met het wetenschappelijk onderzoek te herstellen en op zoek te gaan naar veelbelovende ideeën, werkwijzen en visies in ‘het veld’.
Patrick van der Klooster voorziet een basisinfrastructuur die is teruggebracht tot twee instellingen: het NAi en het Stimuleringsfonds. Hij ziet een rol voor de lokale architectuurinstellingen om de vak- en discourontwikkeling en debat & reflectie op lokaal en regionaal niveau te entameren en levend te houden. Het NAi zou zich meer dan nu moeten richten op collectiebeheer en publieksbereik.
Dirk van den Heuvel ziet twee toekomstscenario’s die bij nader inzien in elkaars verlengde liggen: een radicale nomadisering en internationalisering van het bestel en/of een focus op blockbusters en Bildung.
Opvallend eensgezind zijn de die adviseurs ten aanzien van de grootste asset en dus hoofdtaak van het NAi: het archief en het beheren en ontsluiten van de collectie.

____________________________________________________________

Ed Taverne
, emeritus hoogleraar architectuur- en stedenbouwgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en hoofd van het NWO Research Programma: Urbanization & Urban Culture in the Netherlands 1000 – 2010:

Het ontbreekt mij in de paar dagen die me gegeven zijn aan tijd om een en ander daadwerkelijk uit te werken, maar ik heb er wel ideeën over. Zoals: Wat hebben we, nu de goede jaren voorbij lijken te zijn, met de aandacht van de politiek voor alles wat cultuur, architectuur en stad aangaat gedaan? Wat is er van de oorspronkelijke idealen achter het NAi terecht gekomen? En van het Stimuleringsfonds? En van Belevedere? Hebben de extra financiële impulsen vanuit de overheid geleid tot een ‘andere’, in de zin van krachtiger en minder individualistisch georiënteerde, architectonische cultuur? Wat hebben we met al dat bureaucratisch zorgvuldig verdeelde geld gedaan? Wat is er blijvend van al die (te) snel en (te) mooi uitgegeven boeken? Is het niet zo dat al die overheidsaandacht voor architectuur, stedenbouw en landschap, de sector eerder verzwakt, gemakzuchtig en vrijblijvend gemaakt heeft?

Ik zou pleiten voor een specifieke variant van ‘creatieve destructie’ van alle wildgroei aan protheses die intussen rondom het vakgebied zijn ontstaan. In de afgelopen decennia heeft ‘de’ overheid geprobeerd op zoveel mogelijk fronten te infiltreren in en zich te associëren met de denkwijzen en ideeën uit met name architectuur en stedenbouw. In de praktijk heeft dat vooral geleid tot proliferatie van verlammingsverschijnselen. Maar de politiek is even grillig als een verwend kind en opeens komen er weer geheel andere thema’s op de agenda zoals de nieuwe technieken op gebied van communicatie en informatie. En de sector is opgescheept met de kleren van de keizer. Dat betekent dat de sector zich moet hergroeperen, niet alleen institutioneel, maar vooral ook inhoudelijk. Ze moet zichzelf weer een bestaansrecht toe-eigenen, en eigenlijk van de grond af aan beginnen. Dertig jaar geleden zou ik naar de stencilmachine gerend zijn, nu staan ons betere zij het minder romantische instrumenten ter beschikking.

Uitgangspunt zou moeten zijn dat, in tegenstelling tot de vele van buitenaf opgedrongen thema’s, zoals die van erfgoed, culturele planologie, identiteit etc., het nu tijd wordt dat de sector zelf op zoek gaat naar de grote vragen/thema’s van het vakgebied Anno 2011. Een aantal vakgebieden of sectoren hebben dat de afgelopen jaren met succes gedaan, zoals de archeologie (Onderzoeksagenda Archeologie: NOaA – de (beruchte) Erfgoedbalans van het RCE en, zeer recent, de schitterende Nederlandse Wetenschapsagenda van het KNAW o.l.v. Robert Dijkgraaf.
Voor het vakgebied van de architectuur zou daarbij centraal moeten staan de (verbroken) relatie met het wetenschappelijk onderzoek (sociologie, antropologie, geografie, geschiedenis, economie etc.). Verder het ontbreken van fundamentele reflectie, analyse en kritiek bij de opleidingen, in vakbladen en pers. En, tenslotte, waar bevinden zich veelbelovende ideeën, werkwijzen, visies – binnen bureaus, bij individuele onderzoekers, praktijkmensen, tijdschriften, bij de instellingen – die wellicht toekomstverwijzend, maar als zodanig nog niet herkend en gewaardeerd zijn?

____________________________________________________________

Dirk van den Heuvel, architect, associate professor Bouwkunde TU Delft, redacteur Footprint en DASH:

Tussen Avant-garde en Blockbusters
Mijn voorstel zou zijn om zowel kleiner als groter te denken, zowel lokaler als internationaler. Het gaat niet om een keuze tussen òf veilig achter de dijken schuilen òf de kosmopoliet en wereldverbeteraar uithangen. Het moet én-én zijn, altijd. Geld bespaar je vooral door je activiteiten te concentreren; paradoxalerwijs zou je zo met minder juist meer impact krijgen. Volgens mij zijn er twee hoofdrichtingen te onderscheiden: eentje die een extreme radicalisering van de instellingen voorstelt, waarbij tijdelijkheid en experiment de toon zetten, en een andere die juist uitgaat van een verdergaande institutionalisering die met name inzet op de lange termijn en kiest voor diep verankerde cultuurvorming bij het grote publiek – zeg het verschil tussen Provo en het Rijksmuseum.

Scenario 1: nomadisch en avontuurlijk.
Het Nederlands Architectuurinstituut verlaat het huidige gebouw. Het succes van bijvoorbeeld het huidige Schieblock, de Tolhuistuin, of het inmiddels gesloopte Post CS laat zien dat een tijdelijke locatie uitdaagt tot experiment, inhoudelijke vernieuwing, het zoeken naar nieuwe verbanden en het creëren van nieuwe ‘communities’. Het is Nieuw Babylon als middel, doel én missie: een dynamisch netwerk van meerdere, bewegende centra. Dit scenario accepteert dat een avant-gardistische agenda noodzakelijkerwijs begrensd is in de tijd: na een paar jaar is het effect voorbij en ontstaat bestendiging. Het NAi verhuist daarom om de 3 à 5 jaar door het land van leeg gebouw naar leeg gebouw, van de Shell-toren in Amsterdam Noord naar Paleis Soestdijk naar Centraal Beheer. Hergebruik, erfgoed, gebiedsontwikkeling en duurzaamheid worden inherent onderdeel van het instituut zelf – ‘learning by doing’. De agenda van de Venetië Biënnale krijgt een waarlijk heroïsche uitwerking.

De organisatie van de Architectuurbiënnale Rotterdam (IABR) als onderdeel van het nieuwe NAi wordt nog veel meer een netwerkorganisatie dan ze nu al is. Samen met de DutchDFA wordt ze de internationale tegenhanger van het reizende NAi. De nieuwe Biënnale Holland trekt van wereldtentoonstelling naar Olympische Spelen naar G20-bijeenkomsten. De Biënnale Holland stelt onvermoeibaar de samenhangende kwesties van voortgaande verstedelijking, klimaatproblematiek, waterbeheer, oorlog en identiteitspolitiek aan de orde en hoe de architectuur, stedenbouw en vormgeving hier een rol bij spelen.
Ook het Berlage instituut geeft zijn vaste plek op en wordt een reizende ‘global studio’, zodat nog meer dan nu internationale en lokale netwerken worden verknoopt en uitgebuit om tot kennisuitwisseling- en ontwikkeling te komen. Er komt ook weer een boegbeeld als leidsman: Jürgen Mayer, Eyal Weizman, of toch maar Rem zelf? Eén semester verblijft men in het buitenland, één semester in Nederland op wisselende locaties. Tijdens het reizen worden de resultaten van onderzoek en ontwerp meegenomen als reizende tentoonstelling. Samenwerking met NAi en Biënnale Holland ligt voor de hand.

Het Stimuleringsfonds voor Architectuur is natuurlijk vooral een ondersteunende instelling die het beste op de achtergrond gedijt; maar ook hier is een variant met lokale dependances voorstelbaar, zeker omdat nationaal beleid op het gebied van architectuur en ruimtelijke ordening vrijwel geheel is afgeschaft, en de provincies een nieuwe rol moeten ontwikkelen. Dependances à la het vroegere voorlichtingscentrum van Stichting Goed Wonen in de Leidsestraat worden opgericht in de verschillende provincies, maar dan voor regionale kwesties, zoals de effecten van krimp, de Reconstructiewet of de vastgelopen woningmarkt.
Wat in dit nomadische scenario buiten de boot valt, is het beheer en de ontsluiting van het archief van het NAi, een van de belangrijkste architectuurarchieven ter wereld. Zo’n verzameling mobiel maken zou een mooie bijbelse karavaan opleveren, met alle erfgoed door de polder op zoek naar eigen identiteit; wat realistischer is het om het archief on-line toegankelijk maken waarmee het NAi al begonnen is, bijv. via de UAR-app waarmee je in principe op de locatie zelf, zeg de Beurs in Amsterdam, je alles over het gebouw en in dit geval Berlage te weten kunt komen.

Scenario 2: blockbusters en Bildung
Het archief brengt me op het tweede scenario, waarin de collectie centraal staat. In plaats van activisme en provocatie zijn Bildung en ouderwetse volksverheffing leidende principes. Geen oppervlakkige emo-tentoonstellingen meer of de stad als ‘experience’, dan kun je net zo goed gaan shoppen op de Lijnbaan. Degelijk en grondig is het nieuwe devies. Kennisontwikkeling en onderzoek moeten het nieuwe publieksprogramma voeden en de richting bepalen.
De collectie centraal stellen is ook een strategie die van de nood een deugd maakt, zoals het CCA in Montreal met succes eerder deed. Toen een van de vele beurscrashes het vermogen van directeur Phyllis Lambert significant reduceerde, werd besloten de tentoonstellingen te beperken tot het laten zien van eerdere, zeer kostbare collectieaankopen: ‘Out of the Box’ heette dit programma. Ook nu heeft het CCA groot succes met een tentoonstelling over James Stirling uitsluitend gebaseerd op het eigen archief. Het NAi kan dit voorbeeld eenvoudig volgen aangevuld met privé-archieven; waarom geen slimme en uitdagende blockbusters maken over bijvoorbeeld Duiker, Dudok of Hertzberger? Het Van Gogh en Tate Modern zijn het levende bewijs dat het kan. Ontsluiting van archief en nationale geschiedenis voor de eigen tijd is een vanzelfsprekende kerntaak van het NAi, die meer dan ooit ten eigen voordele moet worden ingezet. Commerciële overwegingen horen bij de primaire criteria gezien de financiële toekomst.

Het NAi kan zich via het archief ook daadwerkelijk ontwikkelen tot een nationaal onderzoeksinstituut; misschien opnieuw met het CCA als voorbeeld. Het CCA draait vooral op privaat geld, het NAi zou een sterke samenwerking kunnen zoeken met academische instellingen, zowel de Bouwkunde-faculteiten als de verschillende geschiedenisafdelingen. Zo kan het NAi zich meer dan nu als centrale kennisinstelling opwerpen, het faciliteert academisch onderzoek, brengt meer structuur in deze gefragmenteerde wereld aan, maar profiteert er ook zelf van door onderzoekscapaciteit en expertise aan zich te binden. Deze onderzoekssamenwerking geeft mede vorm aan het tentoonstellingsbeleid.
Het Berlage Instituut intensiveert de samenwerking met de TU Delft, en wordt de nieuwe post-graduate school van de Faculteit Bouwkunde. Het Berlage zelf is veel te klein als onderzoeksschool, zeker voor onderzoeksfinancierende organisaties als het NWO of de EU, terwijl er veel overlap bestaat met groepen binnen de Delftse Bouwkunde-faculteit. Het Berlage wordt ook de geëigende plek om te experimenteren met een Doctorate of Design, vergelijkbaar met het huidige PhD-onderzoek, maar dan met een ontwerp als product in plaats van een dissertatie.

De Biënnale is ook in dit scenario meer dan voorheen een netwerkorganisatie, met in principe een commerciële basis met steun van het ministerie van Economische Zaken en Innovatie. Aan de ene kant is een soort jaarlijkse Salone del Mobile een optie, strikt commercieel en vakbeursgericht; aan de andere kant zou een prestigieus Documenta-format, eens in de vijf jaar flink uitpakken, interessant zijn. De concurrentie tussen biënnales in de wereld – welke stad heeft er geen? – is nu zo groot dat de huidige opzet niet onderscheidend is. De locatie van een Architectuurbiënnale Holland kan Rotterdam blijven, maar voor een duidelijke eigen identiteit ten opzichte van het NAi en sponsors is een andere locatie als Amsterdam te prefereren. Het zal tot concurrentie tussen de steden leiden, waardoor een aantrekkelijker en scherper aanbod wordt gegenereerd.
Ten slotte het Stimuleringsfonds: dat gaat door op de ingeslagen weg van ondersteunen van onderzoeksinitiatieven uit het veld, en niet dat van de universiteiten. Meer dan nu zou de presentatie van dit onderzoek samen met de andere instellingen kunnen plaatsvinden.

De twee scenario’s sluiten elkaar overigens niet uit; mits er slim politiek wordt gespeeld en open naar nieuwe samenwerkingen wordt gezocht, ziet de goede lezer dat ook één superscenario mogelijk is.

____________________________________________________________

Patrick van der Klooster, directeur AIR (Architectuur Instituut Rotterdam):

De Raad voor Cultuur heeft geadviseerd. In de ministeriële wandelgangen wordt gesuggereerd dat het raadsadvies volgens Staatssecretaris Zijlstra nog lang niet ver genoeg gaat. Als ik het goed begrijp, vormen SFA en NAi straks gezamenlijk de basisinfrastructuur van het Nederlandse architectuurbestel. Je zult begrijpen dat ik ook expliciet de lokale architectuurcentra als mededragers van de basisinfrastructuur beschouw, zeker gezien mijn functie als directeur van AIR. Ze worden niet direct gefinancierd door het rijk, al is de jaarprogrammasubsidie via het Sfa voor alle centra van levensbelang, en vallen daardoor vaak buiten de discussie over een te vernieuwen bestel. Ik pleit er bij deze voor om de architectuurcentra juist wel te zien als onderdeel van de zogenaamde BIS.

Indien de wandelgangen hun werk goed hebben gedaan, zal er dus sprake zijn van een forse verkleining en wellicht ook verschraling van het architectuurbestel. De culturele infrastructuur bestaat nu uit zeven instellingen: Archiprix, Europan, Architectuur Lokaal, NAi, Berlage, IABR en het SfA. Van zeven naar twee; dat is in absolute zin een niet te ontkennen verkleining. Van een verschraling ben ik niet meteen overtuigd. Archiprix en Europan zullen worden ondergebracht bij het NAi. Dat is heel jammer wat betreft hun profiel en de mogelijkheid zelfstandig financiële middelen te werven, maar het is werkbaar. De taken van Architectuur Lokaal kunnen naar SfA, zeker nu de fondsen volgens het raadsadvies meer overheidgestuurd zullen worden. Berlage kan de banden met andere onderwijsinstellingen versterken, met behoud van profiel. Er liggen wat mij betreft kansen in intensievere banden met de TU Delft. Ook met de Hogeschool Rotterdam en zijn Academie van Bouwkunst is samenwerking goed denkbaar. De hogeschool heeft baat bij het architectuurimago van Rotterdam, en het inlijven of strategisch samenwerken met Berlage kan zowel dat imago van de stad als dat van de Hogeschool bestendigen of versterken.

Het onderbrengen van de Biënnale in het NAi is problematischer: financieel, maar zeker ook op gebied van personeel. De Raad verschaft geen middelen voor de organisatie van de biënnale door het NAi. De biënnale is bovendien sterk afhankelijk van een eigen directeur. De huidige directeur, zijn netwerk en zijn doorzettingsvermogen om de biënnale na heftige stormen relatief succesvol te laten zijn, bewijzen dat. Zo kan de ijzersterke samenwerking met de VPRO op zijn persoonlijke conto worden geschreven. In een fusie met / overname door het NAi zie ik vooralsnog weinig ruimte voor zijn autonome positie, en dus ook voor het welslagen van de onderneming.

Hoe zou een kleiner bestel toch effectief kunnen zijn?
Ik hoop en verwacht dat een uitgebreider NAi, vooral ook na de voltooiing van zijn verbouwing, zich ontwikkelt tot publiekstrekker van formaat. Ik heb ergens anders al eerder gesteld dat ik minimaal 250.000 jaarlijkse bezoekers, inclusief leerlingen uit het basis- en voortgezet onderwijs, als wenselijk acht voor het NAi om zijn positie van nationaal boegbeeld voor de architectuur waar te kunnen maken. Het publieksgerichte karakter van een dergelijk instituut (inclusief IABR en educatie) geeft de sector een sterk profiel naar buiten, en verschaft ook legitimiteit voor het NAi en vooral ook aan zijn partners in het land. Met een sterk architectuurinstituut op nationaal niveau is het op lokaal niveau veel gemakkelijker werken. Met zijn allen in de bus naar het Museumpark 25 te Rotterdam, ter viering van en lering over architectuur.

De sterke nadruk op publieksbereik van het NAi maakt het mij bovendien persoonlijk gemakkelijker, en dat is niet onbelangrijk, om vrouw en kind van een bezoek aan het NAi te overtuigen en hun uit te leggen waar papa nu eigenlijk zo druk mee is. Het is wat mij betreft veelzeggend dat dit nu een bijna onmogelijke opgave blijkt te zijn.
Verder hoop ik dat het NAi zijn basistaak als collectioneur en collectiebeheerder weer oppakt, en tot uitgangspunt van zijn streven naar een groter en diverser publiek maakt. Tijdens mijn studie geschiedenis kan ik mij de persoonlijke sensatie nog goed herinneren van omgang met authentieke stukken. Die ervaring zou ik graag overbrengen op het grote publiek. En op vrouw en dochter.
Passend zou zijn dat het NAi een aantal culturele producten & programma’s van het Bureau Rijksbouwmeester overneemt, bijvoorbeeld die in samenwerking met de AVRO worden gemaakt. Dit alles om de expertise op een breed publieksbereik te kunnen bundelen en een duidelijke plek te geven.
Ik zie in de ruimtelijke debat- en discoursontwikkeling voor het NAi een beperkte functie weggelegd. Naar mijn zin staat het NAi te ver weg van de actuele praktijk en is het als organisatie onvoldoende ingebed in de persoonlijke netwerken van realiserend Nederland. Volledige focus op publieksbereik wat mij betreft.

De rolverdeling tussen NAi en lokale architectuurcentra kan dan ook helderder. In het huidige bestel vormen de lokale centra en hun forse en diverse activiteitenprogramma’s de verbinding met het grote publiek. Hun relatief geringe budgetten zie ik liever besteed aan vak- en discoursontwikkeling en debat & reflectie op lokaal en regionaal niveau. Met de decentralisering van de ruimtelijke ordening en de faciliterende rolopvatting van gemeenten acht ik het van groot belang dat lokale centra het gesprek en debat uitdagen en voeden. Gebruik de centra om de ontwikkelingen en ontdekkingen van onderaf in beeld en discussie te brengen, en te verbinden aan lokale, regionale en ook nationale opgaven.
De opdracht tot breed publieksbereik van de lokale centra kan met het sterke publieke karakter van het NAi worden gerelativeerd. Ook hun educatieactiviteiten kunnen minder, onder voorwaarde dat het NAi transformeert tot een heuse educatiemachine, op nationale schaal.

Het SfA kan door met waar het nu sterk in is: zijn loket- en begeleidingsfunctie. Het voeren van een eigen inhoudelijke agenda, gekoppeld aan de nationale agenda, lijkt me gezond. Elke culturele sector zou blij mogen zijn met een dergelijk fonds.

Tot slot: Bescheidenheid over de omvang van de BIS is mijn inziens op zijn plaats, zeker gezien de slachting onder bureaus en ontwikkelaars. Maar wel met onverminderde inhoudelijke ambitie.