Recensie —

Voorbij kijkgroen en architectentroost

Harrie van Helmond

In Parijs is in het Cité de l’Architecture & du Patrimoine de tentoonstelling La Ville Fertile, vers une nature urbaine te zien. Een momentopname in de ontwikkeling van nieuwe inzichten en technieken waarmee de stedelijke gebieden, waar meer dan de helft van de mensheid nu in woont, steeds groener kunnen worden.

Dat beplanting nodig is om de stad leefbaar te houden, is niets nieuws. Straatgroen, stadsparken, tuinsteden; het zijn traditionele onderdelen van een leefbare stad. Steden worden echter steeds groter en dichter, zelfs geheel nieuwe steden worden in een moordend tempo gebouwd, en de wereldbevolking heeft de top van de Gausskromme nog niet bereikt. Toenemende bebouwingsdichtheden, problemen met luchtvervuiling, de urbanisatie van het platteland, het gebrek aan landbouwgronden op mondiale schaal en het transport van voedsel over steeds langere afstanden, noodzaken tot een paradigmawisseling. Niet meer het groen naast het rood, maar het rood áls groen. 'De stad als natuur', zoals de Stichting Biotope City het noemt (zie www.biotope-city.net). Het groen is in deze nieuwe visie meer dan een esthetische en gezonde stoffering van de stad. De stad wordt hier beschouwd als onderdeel van de natuur, waar wij uiteraard ook deel van uitmaken.

Het groen wordt geïntegreerd in de bebouwing, voorbij het kijkgroen en de architectentroost. Het groen is leverancier van gezondheid (fijnstofbinding, temperatuurreductie, bevorderaar van biodiversiteit) en plezier (natuurbeleving, recreatie). De verbouw van voedsel in de stad maakt ook deel uit van deze filosofie. Een veel meer holistische stedenbouw is het gevolg, die in onderwijs en beroepspraktijk helaas nog absoluut geen usance is.
De uitvinding van de groene gevelconstructies door Patrick Blanc gaf de nieuwe ontwikkeling een boost. Inmiddels zijn er alleen al in Nederland veertien verschillende groene gevelsystemen te koop. Een site als www.inhabitad.com geeft een overdosis aan actuele begroeide bouwprojecten, maar rept niet van de problemen om ze gebouwd en beheerd te krijgen of van de noodzaak om de stedenbouw essentieel te veranderen als onderdeel van een ander economische model. Net als installaties en constructie, is groen een bouwsteen die integraal in het (steden)bouwproces moet worden meegenomen. Dit vereist een andere kijk op de planeet en een meer verantwoordelijke vakuitoefening door ontwerpers en ingenieurs, maar zeker ook een andere houding van opdrachtgevers, initiatiefnemers, gebruikers en overheid. La ville fertille, een veelzeggende titel, komt op het juiste moment.

De Parijse tentoonstelling geeft de stand van zaken weer, een tussenstand. Het is geen zwaarmoedige redt de wereld manifestatie, het is eerder een verlokkelijke blik op een groenere stadstoekomst, bedoeld voor een groot publiek. De poster van de tentoonstelling laat een stralende groene stad zien: groen naast rood. In een montage is het beeld van Central Park in New York nog eens dunnetjes over gedaan, te midden van klassieke bebouwing met aan de horizon de high rises. De mens die dit alles vanaf een rots beziet, als in een schilderij van Caspar David Friedrich en de stralen die vanuit de stad richting hemel wijzen, doen denken aan een klassiek futurisme waarbij ditmaal natuur de redder van de stad (de wereld?) is. Ondanks dat je er niet gratis naar binnen kunt, is het druk in het Palais. In de corridor naar het hart van de tentoonstelling wordt de geschiedenis van het groen in de stad ruim geïllustreerd verteld. Prachtig materiaal, niet alleen voor vakopleidingen maar voor alle soorten onderwijs.

In de kelder van het Palais beland je plotseling in een jungle. Tussen de metershoge planten worden bekende en minder gepubliceerde projecten uit de hele wereld getoond: zestien in totaal, verdeeld over de thema's bos, grasland, rivieroevers en braakliggend land. Deze deeltentoonstelling heet L'Objet du desir, en is van de hand van curator Nicolas Gilsoul. De informatie is helder, er is veel aandacht voor een effectieve en prettige kennisoverdracht. Op het moment dat je denkt al een heel mooi overzicht te hebben gekregen, sla je de hoek om en krijg je een nog veel uitgebreidere informatiestroom over je heen: getiteld La fabrique du paysage, curator Michel Péna. De hoofdthema's hier zijn lucht, water, aarde en vuur en zijdelings komen ook de invloed van tijd, ruimte, en een levendig hart aan de orde. Weer tientallen nieuwe, vooral Franse projecten, vergezeld van gefilmde interviews met geograaf Augustin Berque, landschapsarchitecten Gilles Clément, Michel Corajoud, Bernard Lassus en Michel Desvigne, schrijvers Marie Rouanet en Erik Orsenna, en etnologe Francoise Dubost. Ben je serieus geïnteresseerd dan moet je terugkomen, zo overvloedig is het aanbod. Aan het einde van de presentaties zijn dan nog eens alle Parijse projecten bij elkaar gebracht en op een tientallen meters grote stadskaart aangeduid.

Opvallend is welke projecten wél en welke níet getoond worden. Zo wordt een van de eerste dakparken gedocumenteerd: de Jardin Atlantique op het dak van het treinstation Montparnasse. In een zeer naargeestige omgeving is daar een opgetild park met volwassen bomen ontstaan. Ga vanaf het perron een trapje op en je staat in 'de natuur', sensationeel! De architectonische vormgeving dateert uit de postmoderne periode en is slecht onderhouden. Mede dankzij de armoedige hoogbouw die het station omringt bekruipt je een vervelend gevoel: het groen trekt het niet in dit stuk stad.

Een zeer recent stedelijk parkje dat getoond wordt, is de Jardin des Grand Moulins. Het uitgangspunt is interessant: nauwelijks gecultiveerd groen te midden van hippe woningbouw. De architectonische ingrepen (bruggen, paden, hekken) zijn echter zo manifest aanwezig dat ze het effect van het ruige groen teniet doen.
The High Line in New York, een wandelpark op een buiten gebruik gestelde spoortraject, uiteraard ook aanwezig in de tentoonstelling, doet direct denken aan de Promenade Planteé in Parijs. Waar in het Parijse voorbeeld een klassieke tuinarchitectuur domineert, is in New York sprake van high end landscaping en design. De wilde planten die het oude spoortraject overwoekerden moesten plaats maken voor een overontworpen combinatie van andere planten, natuursteen, roestvast staal en hout. Natuur is hier stoffering geworden.
Er missen echter ook belangrijke sleutelprojecten, zoals het verticale MFO park in Zürich, een geheel begroeide staalconstructie in meerdere bouwlagen, een oase in een nieuwe woonwijk. Ook ontbreekt Next 21, het Osaka Gas experimental housing project, waar zowel de principes van drager en inbouw als groen op en in alle bouwlagen verenigd zijn, gecombineerd met de laatste energiezuinige installaties. En de Eco Boulevard in Vallecas Spanje, waar onder meer groen is ingezet om schaduw en lagere temperaturen te bereiken en zo een nieuw type openbare ruimte te laten ontstaan.

Het samenspel van stad en groen creëert en faciliteert een nieuw stadstype, dat nodig is om de bewoners betere leefcondities te geven bij toegenomen stedelijkheid. In bestaande steden zorgen biotopische* projecten voor een langzame overgang naar een gezondere leefomgeving. In nieuwe steden is er sprake van de opzet van een uniek nieuw stedelijk concept: de eco city. Hiervoor is een mix van groen en rood onvoldoende, de software van planningsmethode en de betrokkenheid van de bewoners zijn er net zo belangrijk als de hardware van het groen en rood. Een nieuw paradigma dus, ook politiek gezien. De manier waarop momenteel eco cities worden gepland kan wat dat betreft worden gekenschetst als 'oude politiek' met een klein bottum up gehalte; niet voor niets vindt het merendeel plaats in Azië. Een voorbeeld van het direct betrekken van bewoners is in Parijs te vinden. Bewoners die het openbare gebied grenzend aan hun woning willen beplanten, worden daarbij geholpen met raad en subsidie.

De biomorfe gebouwconstructies die in de eco city renderings verschijnen, vertalen het principe in een vorm terwijl het ook een organisatiemodel kan zijn waarbij de natuur niet alleen letterlijk de stad in wordt gehaald, maar de stad als natuur ontwikkeld wordt. Omgang met onzekerheid en onoverzichtelijkheid is daarbij een wezenlijk uitgangspunt, en dat staat haaks op de vooraf geplande megastructuren met calculeerbare risks & profits. Het concept van stadslandbouw (urban farming) levert niet alleen de bekende evidente voordelen op (voedselproductie nabij consument, sparen van het landschap, integratie in de energiekringloop van de stad), maar het is wel de vraag hoe ecologisch dit fabrieksvoedsel kan zijn.

Al met al is de tentoonstelling La ville fertile een zeer waardevolle introductie op de actuele discussie over een gezondere stad. De begeleidende catalogus bevat maar een deel van de informatie op de tentoonstelling, je moet dus echt naar Parijs!