Feature —

Cowmunity in het Apeldoornse landschap

Johan van Sprundel

Het Architectuurcentrum Bouwhuis in Apeldoorn organiseert dit jaar meerdere activiteiten over ontwikkelingen in het buitengebied. Doel is om de uitbreidingen in het landelijk gebied rond Apeldoorn tegelijkertijd een verfraaiing te laten zijn. Op 10 mei presenteerde Yko Buursma van Skets architectuurstudio een concept voor nieuwe boerenstallen: Cowmunity.

In het gebied rond Apeldoorn is landbouw nog steeds een belangrijke economische pijler. De reconstructiewet en de aanhoudende schaalvergroting in de veehouderij zijn ook hier de aanleiding voor de op handen zijnde komst van grote veestallen. De megastallendiscussie die andere gemeentes reeds ten zeerste wist te splijten, lijkt in het Apeldoornse nog niet opgelaaid, ondanks de aanstaande nieuwe vestiging van een intensieve varkenshouderij in het buitengebied. Een beeldkwaliteitsplan voor deze stal is al opgesteld, maar nog niet diepgaand besproken in de lokale politiek. De aanwezigheid van een aantal politici in het publiek bevestigt echter de aandacht voor het thema grootschalige veehouderij.

Skets architectuurstudio uit Groningen werd uitgenodigd om de visie van het bureau op de toekomst van de intensieve melkveehouderij te presenteren. Skets ontwierp in opdracht van stichting Courage en Innovatienetwerk in 2005 een aantal concepten voor de aan schaalvergroting onderhevige melkveehouderij, onder de naam 'Cowmunity'. Het begrip 'schaalvergroting' was op dat moment nog relatief onschuldig, het ging nog om een sprong van 60 naar 240 koeien. In 2007 werd Skets wederom gevraagd om aan grootschalige melkveehouderijen te ontwerpen. Ditmaal onder regie van Stichting Libau, een onafhankelijk adviesbureau voor onder meer landschappelijke opgaven dat door Groningse gemeenten ingeschakeld wordt. Stichting Libau streeft er naar om met het samenbrengen van boeren, architecten, aannemers en burgers beter ingepaste en geaccepteerde veehouderijen te ontwerpen. Ditmaal gaat het echter om een omvang van 600 tot 1200 dieren per bedrijf.

Reeds uit de presentatie van de vier typen bedrijven die in 2005 ontworpen werden blijkt dat het hier gaat om een volledig nieuwe benadering van het boerenbedrijf. Een traditioneel boerenerf met daaromheen gelegen de boerderij en de stallen is ver te zoeken. De vier concepten hebben ieder hun eigen optimum tussen het traditioneel melken met de hand of de toepassing van technologie zoals voeder- en melkrobots; het jaarrond op stal laten staan van de dieren of de mogelijkheid van een 'weidegang'. De concepten kenmerken zich allen door een zeer efficiënte inrichting van het terrein en plaatsing van de gebouwen.

De ontwerpen vanaf 2007, die specifiek voor een ondernemer gemaakt werden, laten een grotere aandacht voor de architectuur van het stalgebouw zien. Naast een plattegrond die is toegespitst op het houden van de dieren in groepsverband, zien we nieuwe dak- en spantvormen die de contour van de stal reduceren. De stallen van Skets lijken te zweven boven het landschap. De ogenschijnlijke eindeloosheid en monotonie van de grootschalige veestal zoals we die kennen is volledig afwezig. Yko Buursma benadrukt dat een goede organisatie van het terrein veel belangrijker is dan fraaie architectuur voor een modern melkveebedrijf; de discussie met de omgeving en het publiek is echter onontbeerlijk om tot een succesvolle schaalvergroting te komen. Inmiddels is Skets met verschillende ondernemers bezig een al dan niet gereduceerde versie van hun ontwerpen te realiseren.

Uit de vragenronde na de presentatie van Buursma blijkt dat het onderwerp 'megastal' nog niet op ieders agenda staat in Apeldoorn. De toepasbaarheid van de ontwerpen van Skets in het eigen buitengebied komt dan ook niet aan de orde. Het commentaar uit het publiek beperkt zich doorgaans tot de problematiek van het dierenwelzijn, iets wat volgens Yko Buursma zeker de  aandacht krijgt in hun ontwerpen.

Het ontbreken van vergelijkingsmateriaal rond Apeldoorn is misschien ook de oorzaak van de geringe kritiek op de architectuur van de ontwerpen van Skets, hoewel een toeschouwer treffend constateert dat zaken zoals mestverwerkinginstallaties en voedersilo's ontbreken in de impressies. Buursma geeft toe hier nog aan te moeten werken, maar zegt geen 'schaamgroen' of aarden wal te willen om deze installaties aan het zicht te onttrekken. Een andere toeschouwer merkt op dat hij geen probleem heeft met het aanzicht van de huidige stallen, maar vindt dat de toepassing van zonnecollectoren op de grote daken meer aandacht verdienen dan een andere architectuur. Of Skets ook stallen met meerdere verdiepingen mogelijk acht, wat zij inderdaad denkbaar vinden, heeft niet de gebruikelijke discussie omrent de ethiek van de grootschalige intensieve veehouderij tot gevolg.

De schaalvergroting in de intensieve veehouderij is inmiddels onontkoombaar en voor ondernemers levert dat logistieke en bedrijfstechnische vraagstukken op. Uit Skets’ vroege studies blijkt dat hier geen pasklare oplossing voor is, maar dat er door ieder bedrijf keuzes gemaakt moeten worden in de bedrijfsvoering en dat daar een optimale typologie bij hoort. Skets plaatst hier met hun stalontwerpen niet enkel een vernieuwende kapvorm overheen, maar weet deze ook in te zetten in het bedrijfsmatig proces van een moderne veehouderij. Hiermee krijgen hun ontwerpen ook functioneel een toegevoegde waarde. Het is te hopen dat de gereduceerde versies van de ontwerpen van Skets die momenteel gerealiseerd worden de lichtheid en elegantie van de getoonde beelden kunnen evenaren.

Voor wat voor bedrijfstypologie er uiteindelijk ook gekozen wordt bij de vestiging van een nieuwe melkveebedrijf, als dit onder een dak van Skets gebeurt dan zullen de landschappelijke argumenten tegen de komst van een grote veehouderij een stuk minder zwaar wegen. Op mijn vraag of de architectuur van de 'megastal' van invloed is op de acceptatie van de grootschalige veehouderij is de architect van Skets overigens duidelijk: deze raakt doorgaans ondergesneeuwd onder argumenten van andere aard.