Feature —

De Skateboarder en de Stad

Wilfried Hou Je Bek

Op 9 juni gaf de Engelse architectuur-historicus Iain Borden een lezing in Stroom Den Haag als onderdeel van The Knight’s Move lezingenserie voor ongebruikelijke stedelijke visies. Borden maakte naam in 2001 met zijn boek Skateboarding, Space and the City: Architecture and the Body.

Skaten als vorm van stedelijke ongehoorzaamheid. Foto: Daniel Lobo
Skaten als vorm van stedelijke ongehoorzaamheid. Foto: Daniel Lobo

Ik heb dat boek nooit gelezen en afgaande op het weinige dat ik heb gelezen van Borden via previews op Google Books zal ik dat ook nooit doen, om de simpele reden dat het leven te kort is om te verdoen met academische oplichterstaal waarin skateboarden geen onschuldig tijdverdrijf is maar ”een zintuiglijke en ruimtelijke versie van het Althusseriaanse concept van ideologie als een denkbeeldige representatie van de relatie van een persoon tot zijn of haar daadwerkelijke condities van bestaan”. Als voormalig skateboarder begreep ik echter meteen waar dit boek over ging toen ik er tien jaar geleden voor het eerst over hoorde. In Stroom praatte Borden gelukkig als een mens en niet als een op hol geslagen neo-marxistisch orakel.

In de late jaren 80 en in de vroege jaren 90 was er in Tiel, waar ik de pech had op te groeien, geen skateramp en moest de lokale skatescene zelf op zoek naar bruikbare plekken in de stad. Speciale behoeften creëren een specifieke perceptie en zo is het ook voor de skateboarder: elke nieuwe plek waar wij kwamen (met of zonder skateboard) werd instinctmatig geëvalueerd op skatebaarheid. Maar zicht alleen was niet voldoende en de lakmoesproef van elke een potentiële skateplek lag in het skaten zelf. Het skateboard is een verlengstuk van de skater, een extra zintuig, en je moest een ondergrond voelen om te weten of het bruikbaar was: skaten is weten, de stad was geen ruimte maar een oppervlakte.
Criteria van geschiktheid waren de aanwezigheid van brede muren en muurtjes, hellende vlakken, brede stoepen, glad asfalt en dingen waar we overheen konden springen of langs konden glijden. Er waren verschillende plekken waar we geregeld heen gingen maar onze vaste stek was de entree van de polikliniek van het ziekenhuis waar we oefenden op de drie-tree hoge trappen en gemetselde plantenbakken. De ondergrond was niet perfect want beklinkerd, maar we namen het voor lief.
Een ander voordeel van het ziekenhuis als skateplek was dat als je op je bek ging er meestal niemand was om je uit te lachen, maar dat als we de behoefte hadden om ons aan te stellen, we waren tenslotte pubers, er altijd wel voorbijgangers waren die als publiek konden figureren. Hoewel we nooit werden weggestuurd was er steeds een zekere onuitgesproken suggestie dat we daar niet hoorden te zijn. Heel soms was er wel eens vervelende oud mannetje die ons, lawaaimakers op een plek van rust en herstel, aansprak op ons gezond verstand en ons aanmaande ergens anders naar toe te gaan.

Bij gebrek aan politierepressie en bendegeweld konden we ons voelen alsof de stad van ons was. In de stad van Flipje waren wij rebels without a cause. Dit is geen nostalgie maar het puntsgewijs afvinken van de onderdelen van Bordens beschrijving hoe de wereld eruit ziet voor de skate-subcultuur. Wat wij toen niet doorhadden was dat we in werkelijk bezig waren met de performatieve productie van ruimte zoals beschreven door Henri Lefebvre.

Het skateboard is geen vervoersmiddel en de skater geen sporter, skateboarden is een masculiene tiener subcultuur die zichzelf afzet tegen de wereld met kreten als ‘Skate and Destroy’. Als de stad het toneel is en de passanten het publiek dan is de skateboarder de ongenode gast die door de voorstelling heen schreeuwt. De skater is in oppositie tegen de mores van de stad zonder zichzelf te engageren met de krachten en processen die de stad maken. Wat skateboarden een uniek stedelijke praktijk maakt voor Borden is de obsessieve zoektocht van de skateboarder om van alles wat zijn pad kruist de onbedoelde functies te ontdekken. De skateboarder verzet zich tegen de gebouwde omgeving door middel van wat Borden ‘bewuste onwetendheid’ noemt. Het interesseert de skater niet of een gebouw van een wereldberoemde architect is of een toevallige noodoplossing. Het enige waar de skateboarder zich op fixeert is skateboarden en terwijl hij dit doet creëert hij op zijn eigen voorwaarden zijn eigen ruimtes, anoniem straatmeubilair wordt door zijn visie, zijn skateboard, de aangever van een spectaculaire acrobatische truc. De skateboarder houdt zich niet bezig met de vraag wat een stad is, maar, stelt Borden, met zijn aanwezigheid alleen al suggereert de skater dat de stad steeds opnieuw gemaakt wordt door hen die weigeren haar kritiekloos te consumeren. Naadloos aansluitend bij een punt dat Iain Sinclair maakte in een eerdere lezing in deze serie dient de skateboarder voor Borden als bewijs dat de stad gemaakt wordt van onderaf door mensen en hun handelen.

Het verzet van de skateboarder, als je dat zo kunt noemen, wordt nooit politiek en blijft hangen in kretologie. Borden zelf wist alleen negatieve voorbeelden van de invloed van skateboarden op de inrichting van steden te geven en hij liet een aantal foto’s zien van ingrepen om skaten in de publieke ruimte onmogelijk te maken. De stedenbouwer heeft niets van de skateboarder te leren en de vraag is wie dan wel. Ik vraag me dan ook af of Borden, zelf een skateboarder, niet de fout maakt om zijn eigen passie te overinterpreteren om in zijn eigen academische behoeften te voorzien.