Feature —

Is de tijd rijp voor het Open Bouwen?

Lotte Zaaijer

In het kader van de lezingenserie Then/Now nodigde het NAi onlangs John Habraken (1928) en Sjoerd Soeters (1947) uit. Soeters behoorde in 1966 tot de eerste studenten van Habraken, die in dat jaar de faculteit Bouwkunde aan de TH Eindhoven had opgericht. Samen blikken zij terug en vooruit op het gedachtegoed van de SAR (Stichting Architecten Research) en het Open Bouwen.

‘De tijd is de vijand van de architectuur’, zo begon John Habraken (83) zijn lezing. Al sinds de Renaissance hebben architecten (zoals Palladio) met name aandacht voor de bijzondere gebouwen in de stad en verheffen ze deze tot autonome ‘masterpieces’. Het alledaagse speelt zich op de achtergrond af. Habraken wil dit tijdperk keren. Hij pleit voor een vitale architectuur die het alledaagse vormgeeft en veranderingen toelaat. Hierin maakt hij een helder onderscheid tussen drager en inbouw en benadrukt dat dit onderscheid niet alleen technisch van aard is, maar met name van de zeggenschap. De drager maakt onderdeel uit van het publieke domein en is permanent, terwijl de inbouw tot het individu behoort en veranderlijk is. Inspraak en keuzevrijheid van de gebruiker staan hierbij centraal. Habraken introduceerde deze begrippen voor het eerst in de publicatie De dragers en de mensen (1961) en bouwde hierop voort in The Structure of the Ordinary (1998) en Palladio’s Children (2005). In de eerste publicatie ligt de nadruk op de betekenis van de drager en inbouw binnen het industriële proces, terwijl dit in de latere publicaties ligt op de inbedding van de drager in de alledaagse gebouwde omgeving of ‘het veld’. Autonome monumentale gebouwen maken wat Habraken betreft plaats voor stukken stedelijk weefsel: “er bestaan wel grote projecten, geen grote gebouwen, maar wel kleine stukken stedelijk weefsel.” Binnen deze drager kan de gebruiker zijn ruimten zelf vormgeven.

Een eerste experiment om de theorie van Habraken, het Open Bouwen, in de praktijk te brengen was het door Frans van der Werf ontworpen project Molenvliet in Papendrecht (1974). Binnen het stukje stedelijk weefsel zijn woningen en hoven specifiek ingericht met diversiteit als resultaat. Van der Werf besprak met iedere bewoner de indeling van hun woning en ook ieder hof was ingericht volgens de wensen van omwonenden. Geïnspireerd door Molenvliet ontwierp de Japanse architect Yositika Utida de woontoren NEXT21 in Osaka (1993) volgens de principes van het Open Bouwen. Hij ontwierp de drager en dertien architecten ontwierpen de achttien wooneenheden. Utida beschouwde dit project niet als een architectonisch, maar als een driedimensionaal stedenbouwkundig ontwerp. Het ‘landschapsontwerp’ met weelderige beplanting maakt hier een vanzelfsprekend onderdeel van uit. Opvallend genoeg behoort in Next21 de gevel niet tot de drager, maar tot de individuele ‘inbouw’. Dit maakte de gevel divers. In Nederland werd lange tijd weinig belangstelling getoond voor het Open Bouwen, maar in enkele recente projecten zijn de principes terug te vinden. Habraken noemt Multifunk van ANA Architecten (2006), en de Solids van Bijdendijk (Stadsgenoot) als voorbeeld, waarbij gebruikers de grootte en indeling van hun woning geheel zelf kunnen kiezen. Habraken deelde de overtuiging van Bijdendijk dat de toekomstwaarde van de drager niet alleen wordt vergroot door het aanpasbaar te maken, maar ook door het architectonische kwaliteit te geven zodat mensen ervan gaan houden.

Hoe hebben de colleges van Habraken doorgewerkt in zijn student Sjoerd Soeters? Soeters nam het meest recente boek van Habraken Palladio’s Children (2005) als uitgangspunt voor zijn lezing. Het boek baant met negen ‘credo’s’ een weg 'towards an architecture of the field’. Soeters herkende zich naar eigen zeggen in het boek en liet aan de hand van eigen projecten zien hoe Habrakens credo’s terugkomen in zijn werk. Zo was het masterplan voor Java-eiland een voorbeeld voor ‘no one builds alone’. Binnen het masterplan met een grote diversiteit aan woningen zijn de kavels uitgewerkt door verschillende architecten. Hij noemde de flexibel indeelbare appartementen ‘Bloemgracht’ een voorbeeld van ‘be hospitable to those after you’. Het masterplan voor Zaanstad was een voorbeeld van ‘Cooperate’: ‘When you can steal from others steal, and admit it freely’ – een snauw naar Wilfried van Winden – ‘als je een opdracht krijgt, ga er dan wel netjes mee om.’ De door critici betitelde ‘decorated duck’ Circus Zandvoort een passend voorbeeld voor ‘Avoid style’? Verrassend. Soeters gaf toe dat hij zoiets nu niet meer zou (durven) ontwerpen. Een collage aan voorbeelden illustreerde het tegendeel van ‘Forget self expression’. Volgens Soeters mag een gebouw best herkenbaar en expressief zijn. Soeters leek zich met name als stedenbouwer herkend te hebben in Palladio’s Children. In zijn architectuur ontdekte ik weinig parallellen. Zijn masterplannen voor bijvoorbeeld Java-eiland (Amsterdam) en Marienburg (Nijmegen) leken tijdloze dragers die zich voegen in het stedelijk weefsel, terwijl zijn architectonische plannen hier juist eigenzinnig tegen afsteken.

Terugblikkend op de jaren 60 stelt Soeters vast dat flexibiliteit toen een nieuw begrip was, maar nu gemeengoed is geworden. Wat is er veranderd? Volgens Habraken zijn de inbouwpakketten sterk ontwikkeld en gipswanden inmiddels geaccepteerd als binnenwand. Veel klusjesmannen en kleine bedrijven hebben steeds meer interesse in verbouwingen, maar van een inbouwindustrie is nog nauwelijks sprake. De overheid zou dit meer kunnen stimuleren door certificering van de dienstverlening in deze sector, denkt Habraken. Soeters merkt op dat de directe dialoog tussen publiek en de bouwsector ook vaak een probleem is. ‘Dat past ook niet binnen een top down georganiseerde samenleving’, aldus Habraken. ‘Een directe afstemming met de gebruiker, zoals in Next21 in Osaka is hier op dit moment niet mogelijk. De tussenlaag van overheid, ontwikkelaars en corporaties zit de dialoog in de weg.’ Wellicht kan deze kloof verkleind worden op de golven van de huidige doe-het-zelf-initiatieven van particulieren.

Door de belangstelling voor flexibiliteit lijkt de tijd rijp voor het Open Bouwen. Toch is het nog lang geen gemeengoed. Dit ligt niet alleen aan de organisatie van de bouwsector, ook is het nog zoeken naar de architectuur van het Open Bouwen. Is de weinig toekomstbestendige generieke (want tijdloze?) architectuur van de drager niet te vermijden? ‘De uitdaging voor architecten is om typologieen te ontwikkelen die neutraal zijn en toch “smoel” hebben aan de binnenkant’, aldus Habraken. Vanuit de zaal klonk de vraag: ‘Welke bouwelementen behoren tot de drager (het publieke) en wat tot de inbouw (het individuele)? Bestaat de inbouw alleen uit inbouwwanden of ook uit gevelpanelen zoals in het project NEXT21?’ Volgens Habraken is dit afhankelijk van de cultuur, maar in Nederland bepalen de woningbouwcorporaties en ontwikkelaars nu wat tot het publieke en individuele behoort. We moeten op zoek naar een nieuwe balans die past bij onze cultuur. Dit antwoord smaakte naar meer, maar dat bleef uit. Was deze avond geen prachtig moment geweest om de discussie over dit onderwerp te starten?