Feature —

Meer met minder

Piet Vollaard

Staatssecretaris Zijlstra heeft vandaag zijn visie op het nieuwe cultuurbeleid gepresenteerd. Zoals te verwachten doet hij er ten opzichte van het advies van de Raad voor Cultuur nog een schepje bovenop. Voor de architectuursector blijft er – als de staatssecretaris zijn zin krijgt – straks alleen een sectorinstituut en een subsidiepot over. Maar dan wel samen met anderen. De architectuur als zelfstandige sector wordt opgeheven en samengevoegd met Design en Nieuwe Media, onder de fijne hutspotkreet Creatieve Industrie. Minder geld, minder instellingen, maar wel met meer (economische en maatschappelijke) verwachtingen.

Het schip van de Nieuwe Creatieve Industrie: samen op weg naar een onzekere toekomst. (illustratie William Hogarth bij Shakespeares sonnet Industry and Idleness.  Plate 5.  The idle 'prentice turned away and sent to sea.)
Het schip van de Nieuwe Creatieve Industrie: samen op weg naar een onzekere toekomst. (illustratie William Hogarth bij Shakespeares sonnet Industry and Idleness. Plate 5. The idle ‘prentice turned away and sent to sea.)

‘Het kabinet heeft de creatieve industrie aangewezen als een van de topgebieden die een belangrijke economische en maatschappelijke meerwaarde voor Nederland hebben. Het topteam creatieve industrie brengt in juni advies uit aan de minister van EL&I.’ Zo begint het onderdeel Architectuur, Vormgeving en Nieuwe Media van Zijlstra’s visie die zelf de titel draagt: “Meer dan kwaliteit, een nieuwe visie op cultuurbeleid”. Die kwaliteit moet dan wel met minder geld worden gegenereerd, althans overheidsgeld, want natuurlijk moet een echte industrie in staat zijn de eigen broek op te houden. En wat dat meer dan eigenlijk inhoudt is mij onduidelijk, tenzij er meer eigen inkomsten mee wordt bedoeld.  Want let op: ´Het kabinet wil de kracht van architectuur, vormgeving en nieuwe media – sectoren die sterk marktgericht zijn – maximaal benutten.’ zo stelt het advies verder.
´Het flexibel in kunnen spelen op vraagstukken vanuit de markt en maatschappij vraagt om een programmatische aanpak. Ik kies daarom voor een compacte basisinfrastructuur. Deze infrastructuur bestaat uit 1 fonds en 1 ondersteunende instelling voor de creatieve industrie’ concludeert de visie tenslotte.
Schattig, een staatssecretaris die nog gelooft dat flexibiliteit gebaat is bij centralisatie, maar dit terzijde. Let weer op: 1 fonds en 1 instelling voor de complete nieuwe supersector. Drie sectorinstituten worden samengevoegd tot een, geld vanuit drie fondsen (Stimuleringsfonds en de budgetten voor architectuur en design van het Fonds BKVB en de Mondriaanstichting) wordt samengevoegd (met de nodige bezuiniging uiteraard) tot een superfonds voor de Creatieve Industrie.

‘Kleine’ instellingen verdwijnen, of althans verliezen hun autonome positie en worden geacht hun activiteiten onder de vlag van het nieuwe superinstituut voort te zetten. Deze schaalvergroting (en het schrappen van kleinere instellingen) vindt ook in andere sectoren plaats, maar treft de architectuur wel in het bijzonder. Van zes gesubsidieerde instellingen (Europan, Archiprix, Biënnale, Berlage Instituut, Architectuur Lokaal en NAi) en een ‘eigen fonds’, naar 1 gedeelde instelling (NAi/Premsela/De Waag) en 1 gedeeld fonds (wat ongetwijfeld het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie zal gaan heten).
Exit Berlage Instituut (tenzij het een alliantie met een andere onderwijsinstelling weet aan te gaan), want daarvan valt niet in te zien hoe dat onder de vlag van het supersectorinstituut zou moeten functioneren. Ook exit Biënnale in de huidige autonome positie, dat wordt voortaan op z’n best een activiteit van het supersectorinstituut (biënnale architectuur, stedenbouw, design en nieuwe media?). Europan en Archiprix zullen ongetwijfeld binnen het NAi een plaats kunnen krijgen, maar of deze instellingen daar blij mee moeten zijn is de vraag. De efficiency wordt er niet mee bevordert, er wordt geen cent aan verdiend, de zichtbaarheid zal er onder leiden. Hoe het Architectuur Lokaal zal vergaan is nog onduidelijk, maar waarschijnlijk zal het wel onder de vlag van deskundigheidsbevordering opdrachtgeverschap verder kunnen, maar dan wel zonder de culturele component, althans fondsen voor de culturele component.

Het ontkennen van de eigen culturele, kunstzinnige component van architectuur is misschien – naast schaalvergroting en het ontkennen van de waarde van kleine, onafhankelijke instellingen – het meest sluipende gevaar van deze visie. De stap van Creatieve Industrie naar het helemaal weghalen van architectuur uit het kunstbeleid is straks weer wat gemakkelijker gezet. Let opnieuw op: ‘[Het nieuwe samengevoegde superfonds] heeft als missie om de maatschappelijke en economische meerwaarde van de creatieve industrie te vergroten, zowel in Nederland als internationaal.’
Economische meerwaarde, daar gaat het dus ook (vooral?) om. Hoezo autonomie? Hoezo schoonheid om de schoonheid, experiment om het experiment? Hoezo waarden die niet in Euro’s zijn uit te drukken? Zodra het geen maatschappelijke of economische meerwaarde oplevert, moeten initiatieven in die richting het maar elders zoeken. Daarmee wordt precies het omgekeerde gedaan van wat in de promobabbel wordt gesuggereerd. De overheid wil met die Creatieve Industrie geld (of maatschappelijke rust) verdienen, mocht er nog enige kunstzinnigheid in die sector over zijn, dan moet de markt daar maar voor zorgen. Het lijkt allemaal wel erg ver te staan van een overheid die juist zorg draagt voor die dingen die door de markt nu juist niet worden gesteund, maar die desalniettemin van groot maatschappelijk belang zijn. Toegegeven, de sector zelf heeft zich de laatste jaren natuurlijk ook nauwelijks iets gelegen laten liggen aan de autonomie van de architectuur als kunstzinnige discipline. Men heeft zich vooral gewenteld in – nuttige en noodzakelijke zaken, maar zinloos als de basis wordt vergeten – interdisciplinaire crossovers, creatieve industrie projecten, sub- en interculturele manifestaties en andere postmoderne ontkenningen van de eigen kracht en schoonheid en zich eigenlijk zelden afgevraagd wat architectuur zelf nu eigenlijk is. Maar toch, de kans dat zoiets in de nabije toekomst wel zal gaan gebeuren is met deze voorgenomen wijzigingen verder weg dan ooit, en dat is treurig.

Nee, vrolijk word je niet van deze visie. Maar desondanks zullen we het er waarschijnlijk mee moeten doen. De kans dat een architectuurnota nog een speciale wending aan het beleid zal geven wordt ook in de visie nog open gelaten, maar of dat daadwerkelijk zoden aan de dijk zal zetten is nog afwachten.