Recensie —

Operatie mislukt, patiënt springlevend: het eigen leven van het Nederlandse bouwblok.

Vladimir Stissi

Recentelijk verscheen Hollands bouwblok en publiek domein. Model, regel, ideaal, de handelseditie van Susanne Komossa’s dissertatie. Een studie met een actuele invalshoek, namelijk de rol van het bouwblok als schakel tussen privé-ruimte en het publieke domein.

Misschien is gewoon goed soms te vanzelfsprekend. Het traditionele (woning)bouwblok is een wereldberoemd onderdeel van de Nederlandse architectuur- en stedenbouw waar lange tijd weinig gerichte aandacht voor is geweest. Niet dat er niet over gedacht en geschreven wordt, integendeel. De afgelopen honderdtwintig jaar zijn Nederlandse ontwerpers met weinig thema’s zo intensief bezig geweest als de verbetering, transformatie of juist verwerping van het bouwblok.
Wat mist is het overzicht. Sommigen hebben zich gestort op details, anderen op grote lijnen, gevels zijn aan bod geweest en plattegronden, manieren van wonen en sociale interactie, maar uitgebreide historische overzichten of bredere, systematische studies naar de morfologie en het functioneren van het bouwblok zijn zeldzaam. Het is dan ook niet toevallig dat twee belangrijke uitzonderingen – De rationele stad (1984)  en de Atlas van het Hollandse bouwblok (2003)  – nog steeds bestsellers zijn. Susanne Komossa, zelf medeauteur van die laatste studie, bouwt expliciet voort op beide publicaties en liet Castex in Hollands bouwblok zelfs een ‘Ten geleide’ schrijven. Net als in deze inspiratiebronnen, zit de systematiek van haar boek niet in de compleetheid, maar in de focus. Hoewel Komossa zegt geen historische studie te willen bieden, combineert ze historische gegevens zoals ook in de Atlas voorkomen, met een analysemethode als die van Castex c.s. Op deze wijze poogt ze de actualiteit van het woonblok te doorgronden aan de hand van oude en nieuwe voorbeelden. Centrale thema daarin is de rol van het bouwblok (en zijn directe omgeving) als schakel tussen privéruimte en het publieke domein – waarbij nadrukkelijk ook de niet-woonfuncties van het blok een hoofdrol spelen. Dat laatste lijkt een nieuw element in de studie van het woonblok, al is het natuurlijk al heel lang een hot item in de stedenbouw en planologie.

Helaas maken een actuele invalshoek en een fantastisch thema niet meteen een goed boek. Een moeizame schrijfstijl, met veel ondoorgrondelijke terminologie en een schoolse drang zaken uitgebreid in te leiden, uit te leiden en samen te vatten, maken de tekst uiterst vermoeiend en met enige regelmaat onbegrijpelijk. Nog irritanter is de minstens zo gebrekkige beeldredactie. Een groot deel van de afbeeldingen is afgedrukt in een zinloos postzegelformaat, waarbij foto’s vaak ook nog eens knullig gesneden zijn. Ruimtegebrek is geen excuus, want het boek staat vol met kaarten die vaak meermalen (al dan niet met minimale variaties) herhaald worden en die soms ook onleesbaar verkleind zijn. De bijschriften bieden niet altijd soelaas, want een flink deel geeft onjuiste of onnauwkeurige informatie.
Deels is het slordigheid, al zijn de fouten soms tamelijk fundamenteel. Zo wordt de inmiddels toch in Nederland wereldberoemde Amsterdamse Diamantbuurt in tekst en bijschriften meermalen verward met de Harmoniehof, die helemaal aan de andere kant van Zuid zijn naam wel eer aandoet. In het historische overzicht van de groei van Amsterdam is een kaart uit 1952 (maar die de situatie rond 1940 weergeeft) ook op de plaats van de kaart uit 1909 afgedrukt. Een deel van de slordigheid is bewuster: de negentiende-eeuwse stad wordt steeds geïllustreerd met kaarten van kort na 1900, de vroeg-twintigste-eeuwse met kaarten uit het eind van de jaren dertig, enzovoort. Je ziet dus meer het resultaat, met nog wat latere ruis, dan het begin en het proces van groei en transformaties.

Graag zou ik als zeverende historicus Komossa dergelijke zaken vergeven, ware het niet dat er iets veel fundamentelers loos lijkt te zijn. Over Rotterdam durf ik als Amsterdammer niets te zeggen, maar op de morfologische overzichtskaarten die als bijna tekstloos hoofdstuk zes de kern van het boek vormen, herken ik mijn eigen stad nauwelijks. De keuze van belangrijke structurerende elementen lijkt voor een flink deel min of meer willekeurig, waarbij bovendien enerzijds complete parken (o.a. Westerpark, Erasmuspark, Rembrandtpark) genegeerd worden, en anderzijds in de historische kaarten open ruimtes en groene enclaves zijn ingetekend die er helemaal (nog) niet als zodanig waren (o.a. Frederiksplein, Wilhelmina Gasthuisterrein). De meeste vertekeningen kloppen daarbij te mooi met de lijn van de tekst – waarin de negentiende eeuw wordt opgehemeld en de twintigste wordt verfoeid – om nog toevallig te zijn.
Ook in de analyses van het bouwblok lijkt het er sterk op dat het bewijs aan het betoog is aangepast in plaats van andersom. De historische beschrijvingen en -analyses overstijgen zelden het niveau van aloude clichés, die bovendien veelal achterhaald zijn, of de plank misslaan. Waar wel nieuwe paden betreden worden, zoals in de analyse van zeventiende-eeuws Amsterdam, ontbreken de anachronismen en blunders niet. Zo is de conclusie dat kunst en cultuur toen nog ‘een private aangelegenheid’ waren, met een ‘volkse’ tegenhanger op straat (pag. 136) wel wat pijnlijk voor de stad van Vondel (e.v.a.), die naast de Stadsschouwburg nog talrijke minder officiële theatergebouwen en lusthoven had waar allerlei cultureels te zien en te beleven was.
Vervelender is dat het rijke sociaal-culturele leven van de twintigse-eeuwse stad, waar vanaf het eind van de negentiende eeuw zowel door particulieren als door de overheid enorm in geïnvesteerd is, net zo finaal genegeerd wordt. Die zogenaamde monomane woonbuurten van na de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, die Komossa bekritiseert wegens een gebrekkig publiek domein, hadden namelijk wel degelijk een stevige sociale infrastructuur. Met honderden clubs en verenigingen die voor een belangrijk deel in of tussen de bouwblokken (of –stroken) waren gevestigd, in buurthuizen, scholen en kerkelijke complexen, maar ook bij kleine sportvelden en speeltuinen op pleinen, in parken en in binnenterreinen. Daarnaast waren er veel drukbezochte particuliere buurtbioscopen, dansscholen en, zelfs hier en daar in sociale woonblokken, cafés. En anders dan Komossa stelt, werd er volop ruimte ontworpen voor buurtwinkels. Ook dit alles is publiek domein, maar Komossa wil het niet zien. In plaats daarvan geeft ze wat anachronistische sneren richting naoorlogs groen, waar niet meer geflaneerd zou kunnen worden en te weinig horeca zou zijn geweest. Ik kan haar alleen maar aanraden eens met oudere Amsterdammers (of Rotterdammers) te gaan praten.

Waar de twintigste eeuw onnodig de grond in wordt gepraat, krijgt de negentiende eeuw een al even weinig gefundeerde facelift. In de karakterisering van Komossa lijken de negentiende eeuwse wijken van Amsterdam en vooral Rotterdam vooral op Amsterdamse Pijp anno 2011: gevarieerde bebouwing en bewoning, met veel kleine bedrijvigheid en hier en daar een groene enclave. Dat veel enclaves ontoegankelijk en/of niet groen waren, en dat al die kleine aannemertjes straten vol met precies dezelfde woningen bouwden, waarin ook bij voorkeur mensen uit dezelfde (sociale/economische/religieuze) groep zoveel mogelijk bij elkaar hoorden te wonen, lijkt Komossa te zijn ontgaan. En hoe het met die bedrijvigheid zat, is eigenlijk nauwelijks onderzocht. Mijn sterke indruk is dat een flink deel pas in de loop van de twintigste eeuw de woning is ontstegen en zich bovendien maar in een deel van de negentiende-eeuwse ring concentreerde. Los daarvan zat veel van die bedrijvigheid in sectoren die economisch zo marginaal waren en/of zo ongezond, dat ze niet voor niets verdwenen is.

Als historicus durf ik het bijna niet te zeggen, maar een iets degelijkere historische en historisch morfologische analyse van het Nederlandse woonblok dan die van Komossa zou volgens mij vooral laten zien dat veel van de transformaties in de afgelopen eeuwen zeer tijdgebonden waren. Toenemende welvaart en meer vrije tijd zorgden eerst voor die forse sociaal-culturele infrastructuur die ik zojuist noemde, en vervolgens voor de tv en buitenlandse vakanties die er weer een eind aan maakten. De buurtwinkels en –werkplaatsjes zijn om zeep geholpen door supermarkten, IKEA, Japanners, Chinezen, milieuregels en ik weet niet wat al. Internet zorgt nu weer voor nog niet te voorspellen ontwikkelingen. Enzovoort.
Toch kunnen we achteraf constateren dat bouwers en ontwerpers in Nederland het nog niet zo slecht gedaan hebben, bijna altijd paste het bouwblok goed bij wat mensen en steden vroegen, in ieder geval in de decennia na oplevering. Transformaties op grond van latere ontwikkelingen zijn niet allemaal even goed gelukt, maar de cruciale factor daarbij lijkt mij eerder de flexibiliteit en de kwaliteit om om te kunnen gaan met een veranderend publiek domein. Dat is belangrijker dan de specifieke omgang met dat publieke domein die ingebakken zit in de ontwerpen. Buitenveldert is van middenklasse gezinswijk doorgegroeid naar bejaardenparadijs, en is nu weer hip bij gezinnen, maar in Pendrecht of de Westelijke Tuinsteden doen vergelijkbare fysieke structuren iets heel anders. Ook het Oude Westen is niet De Pijp.

Met andere woorden: als de geschiedenis iets leert, is het dat de oplossingen die Komossa voorstaat – veel aandacht voor een bruikbaar, gevarieerd en aantrekkelijk publiek domein, met ruimte voor de kleinschalige economie – hoe mooi ze ook klinken, net zo veel of weinig tijdgebonden zijn als die van Rose, Berlage of Van Eesteren. De massale leegstand van al die dapper geplande bedrijfsruimtes in de nieuwbouw in de prachtwijken van Amsterdam en Rotterdam, of op IJburg, maar ook de berichten over klagende internetverkopers die door gemeenten aan bestemmingsplannen worden herinnerd, laten zien hoe weerbarstig de werkelijkheid is. Model? Regel? Ideaal? Gelukkig trekken mensen in Nederland zich er zelden echt wat van aan.

________________________________________________________

Reactie Susanne Komossa

Delft, 4 juli 2011

Beste Vladimir Stissi,

Zoals je terecht stelt, is het boek Hollands bouwblok en publiek domein; model, regel, ideaal geen historische studie. Het is een terugblik vanuit het heden die de verschillende Nederlandse bouwblokmodellen van de afgelopen 400 jaar onder de loep neemt. Deze bouwblokken en de daaraan verbonden stadsmodellen vormen vandaag de dag een groot deel van onze steden. De blokken en modellen kunnen als een laboratorium worden beschouwd, waarbij de relatie tussen bouwblok en publiek domein telkens experimenterend op andere wijze is vormgegeven, is getransformeerd.

Het onderzoek laat zien dat maatschappelijke en economische veranderingen en idealen worden weerspiegeld in de relatie tussen blok en stad. In het verlengde daarvan kan worden vastgesteld dat sommige blok- en stadsmodellen dankzij hun fysieke structuur en positie in de stad, het hedendaagse publieke domein en de stedelijke economie beter kunnen accommoderen dan andere, en dat bijvoorbeeld vele wijken uit de jaren vijftig van de vorige eeuw enclaves zijn geworden.

In het hoofdstuk ‘De Hollandse stad: openbaar, privé, collectief en het leven van alledag, introductie van (stads)sociologische begrippen’ wordt  het verschil tussen publiek en collectief omschreven. Collectief wordt helaas vaak, ook door jou, verward met publiek, terwijl het twee totaal verschillende categorieën zijn. Collectief is, doordat het per definitie bepaalde groepen uitsluit, zelfs in strijd met het publieke en de diversiteit – hetgeen overigens niet betekent dat het geen bestaansrecht heeft. Betrekken we de notie van het publieke domein op parken, dan wordt duidelijk dat niet elk park of groen daartoe bijdraagt en in plaats van een verbindende ook een scheidende rol kan spelen in de structuur van de stad. Het hoofdstuk ‘Publiek domein en economie van de grote stad, de relatie tussen bouwblok en stedelijke economie’ licht toe waarom het publieke domein belangrijk is voor de hedendaagse kenniseconomie en de diversiteit van de stadsbewoners.

De terugblik op de transformatie van bouwblok en stad geeft ons inzicht in de duurzaamheid van de verandering. Bouwblokken en stadsmodellen gebaseerd op stedelijke functiescheiding en bevolkingsstatistieken hebben het moeilijk in de nieuwe maatschappelijke en economische omstandigheden. Gelukkig vormen deze modellen de uitzondering en niet de regel in het eeuwenoude verleden van de Hollandse stad met haar bouwblokken. De terugblik verduidelijkt tevens dat mooie idealen tot slecht functionerende wijken kunnen leiden. Andersom trouwens ook. De weinig nobele idealen van de kleine bouwers en ontwikkelaars van de revolutiebouw brachten het voor het einde van de negentiende eeuw typische sociaal-economisch gemengde bouwblok voort dat ondanks een tijdelijke neergang tot op de dag van vandaag stand houdt.

Een en ander brengt ons bij de kwestie van de historische respectievelijk typo-morfologische bril. Om de daadwerkelijke veranderingen in de fysieke structuur van bouwblok en stad te kunnen bestuderen, kunnen we er niet omheen om kaarten te gebruiken die deze veranderingen vastleggen. Dat zijn per definitie kaarten gemaakt nadat een bepaalde periode is afgesloten. De veranderingen aan het einde van de negentiende eeuw in Amsterdam en Rotterdam kunnen slechts aan de hand van een kaart daterend uit het begin van de twintigste eeuw bestudeerd worden, enzovoort. (Wat niet de twee door jou gesignaleerde fouten wegneemt, namelijk een fout onderschrift bij een foto op p. 48 en een per ongeluk twee keer afgedrukte kaart op p. 100/101).
Hoe dan ook, voor ontwerpers is de studie van precedenten op alle schalen, want daaronder valt dit onderzoek, onmisbaar. Alleen precedenten leren ons iets over de constanten en discontinuïteiten in de transformatie van stad, bouwblok en publiek domein en stellen ons  architecten, stedenbouwers, beleidsmakers, maar ook geïnteresseerde leken in staat op basis van historische ervaring het ideaal van het nieuwe bouwblok en stadsmodel adequaat te formulieren en vorm te geven. Met het oog daarop is deze studie uitgevoerd en in boekvorm toegankelijk gemaakt voor een groter publiek. Het werk van architectuurhistorici is daarbij onmisbaar, ook in het geval dat het ideaal, zoals dat naar voren komt uit schriftelijke historische bronnen en oorspronkelijke plannen en tekeningen in terugblik niet overeenkomt met de uitvoering en het leven van alledag, toen of nu.

Susanne Komossa

________________________________________________________

Reactie Vladimir Stissi

Amsterdam, 5 juli 2011

Beste Susanne Komossa,
 
Dank voor je reactie, die een aantal aspecten uit het boek verduidelijkt die in mijn recensie minder aan de orde komen. Daar hoort ook het verschil tussen collectief en publiek bij, dat ik wel degelijk zie. Ik vond alleen de omschrijving ervan en de omgang ermee, erg onduidelijk en ben het vaker niet dan wel eens met je benoeming van bepaalde stukken stad als publiek/verbindend of juist niet. Dat bijvoorbeeld parken een verschillende rol kunnen spelen in de stad ben ik helemaal met je eens, maar ik zie op jouw kaarten van Amsterdam parken (en andere elementen) die volgens mij morfologisch sterk vergelijkbaar zijn, soms wel en soms niet gemarkeerd. Bovendien vind ik dat de geschiedenis laat zien dat een aantal wijken van Amsterdam die nu mager scoren op het gebied van publiek domein, het niet zo heel lang geleden heel goed deden op dit gebied, en omgekeerd, zonder dat er grote fysieke veranderingen hebben plaatsgevonden. Volgens mij laat dat zien dat de morfologie een minder belangrijke rol speelt in transformatieprocessen dan jij betoogt. Of, anders gezegd, ik denk dat je de rol van architecten en stedenbouwers (etc.) overschat en die van bewoners onderschat. Vandaar mijn titel en conclusie, die net zo min als je boek (architectuur-) historisch bedoeld zijn.
 
Dat neemt niet weg dat ik vind dat ook een niet historisch bedoelde studie, als die zich op het verleden baseert, zich wel aan de regels van die kunst moet houden. Natuurlijk moet je bepaalde ontwikkelingen illustreren met kaarten van de eindsituatie, maar jij gebruikt meestal kaarten van nog weer jaren later, waarbij bovendien in veel gevallen de gegeven datum (van uitgave?) niet precies klopt met het kaartbeeld. En graag zie ik feiten gecontroleerd. Zoals ik ook in mijn recensie schreef, is het door jou als feit gepresenteerde 'voor het einde van de negentiende eeuw typische sociaal-economisch gemengde bouwblok' bij gebrek aan relevante onderzoeksgegevens hooguit een aanname, maar, in ieder geval in Amsterdam, waarschijnlijk een illusie. Het overgrote deel van de laat-negentiende eeuwse straten bestond aanvankelijk uit eindeloze rijen vrijwel dezelfde woningen, met hier en daar een klein winkeltje ertussen. Dat op die dorre basis, en met veel pieken en dalen tussendoor nu vaak (maar niet overal) succesvolle wijken zijn ontstaan is inderdaad heel interessant voor iedereen die de stad beter wil begrijpen, maar heeft denk ik niet veel met 'het ideaal' van de bouwers te maken. Een onvolledige analyse van een succes is een ding, maar dat je op vergelijkbare naieve en simplistische wijze de wijken uit de jaren vijftig en zestig generiek afschrijft, vind ik een vorm van historisch determinisme waar ik mijn schouders niet bij kan ophalen.

Vladimir Stissi