Recensie —

Wereldtaal der Vormen

Ed Taverne

Ed Taverne las het door Hans Ibelings geschreven boek Europese architectuur vanaf 1890. Hij is onder de indruk van het overzicht van architectuur in Europa dat Ibelings biedt, maar zet vraagtekens bij diens architectuurhistorische opvatting.

Architecture is very complex, but this complexity is not reflected in today’s architectural history. (Carlo Olmo)

Nu Auke van der Woud de architect H.P. Berlage definitief ontmaskerd heeft als vernieuwer van de Nederlandse architectuur, begin ik licht te hyperventileren telkens als ik in de buurt kom van één van diens gebouwen. Dat overkwam me niet toen ik, kort geleden, in het centrum van Kiev, onverwacht oog in oog stond met de Bessarabs’ka markthal: stilistisch evenbeeld van de Beurs van Berlage, maar veel minder ‘leerstellerig’ en echt publiek in de zin van onderdeel van het dagelijks leven van de stad. De Bessarabs’ka is een van de zeven grote markthallen die dateren uit de tijd dat Kiev de derde hoofdstad van het Russisch tsarenrijk was. Het gebouw is tussen 1910 en 1912 in opdracht van een Russische suikerbaron gebouwd door Henrik Gai, een architect uit Warschau. Voor mij was de wandeling door dit gebouw een echte sensatie en ik vraag me af in hoeverre die ervaring gekoppeld was aan het besef dat ik via de architectuur was aangesloten aan het netwerk van Europese steden.

Jammer genoeg slaagt Hans Ibelings in zijn boek over Europese architectuur er geen moment in om de herkenning of bewustwording van zoiets vaags als het Europa-gevoel op de lezer over te brengen. Hij heeft weliswaar een indrukwekkend overzicht geschreven over architectuur in Europa maar geeft geen antwoord op de vraag in hoeverre die honderden, vaak volstrekt onbekende gebouwen, iets met elkaar te maken hebben. Sterker nog: Ibelings vindt dat, historisch gezien, er geen causale verbanden zijn en als ze er wel zijn, zijn het achteraf verzonnen verhalen van historici.
Europese Architectuur sinds 1890 is een boek waarin de lijnen worden doorgetrokken die indertijd door Nikolaus Pevsner in diens Outline of European Architecture (1943) zijn uitgezet. Het is een typisch vanuit de kunstgeschiedenis geschreven overzicht waarin architectuur gereduceerd is tot stijlen, stromingen en spelers. Maar waar bij Pevsner die gortdroge benadering voortkomt uit een herkenbaar Angelsaksisch pragmatisme en nuchterheid, is bij Ibelings sprake van uitgesproken weerzin tegen een hele generatie kritische architectuurhistorici die sinds Pevsner het vakgebied tot een volwaardige historische discipline hebben gemaakt.

Het boek bestaat uit vier thematisch en vier chronologisch gerangschikte hoofdstukken, die ieder rijkelijk geïllustreerd zijn met in totaal zevenhonderdvijftig afbeeldingen op postzegelformaat. In de eerste hoofdstukken laat Ibelings zien hoe je aan de hand van een puur stilistische benadering de verbanden kunt bloot leggen tussen de architectuur enerzijds en de stad, de staat en samenleving anderzijds. Hij is daar terecht sceptisch over en komt in feite niet veel verder dan een rubricering naar typen en factoren die verder iedere interpretatie van architectuur als taal buiten beschouwing laat. Dit leidt bij tal van onderwerpen tot bizarre generalisaties of, zoals bij de beschouwingen over overeenkomsten en verschillen tussen Oost en West, tot grove simplificaties: ‘Verschillen tussen de architectuur en stedenbouw aan weerszijden van het IJzeren Gordijn (zijn) vaak niet heel erg groot. Zonder de uniciteit van afzonderlijke werken te willen ontkennen, kan worden gesteld dat zich tussen 1945 en 1989 verwante stilistische ontwikkelingen hebben voorgedaan, vooral gebaseerd op gelijksoortige opvattingen over samenleving en gebouwde omgeving. Met enige overdrijving zou kunnen worden beweerd dat er voor bijna elk project aan de ene zijde van het IJzeren Gordijn een verwant, vergelijkbaar of equivalent project aan de andere zijde is te vinden. Een belangrijk  onderscheid wordt hooguit gevormd door de omstandigheden waaronder de architectuur tot stand kwam’. Maar dat is nu precies waar het in de architectuurgeschiedenis over gaat of in ieder geval behoort te gaan: de analyse van de maatschappelijke, politieke en technische context waarin de architectuur als ontwerp en product: kortom als proces functioneert. Het wegwuiven van cruciale thema’s als macht, engagement, professionalisering, besluitvorming en bouworganisatie, om er maar enkele te noemen, maakt architectuurgeschiedenis tot een infantiele bezigheid en degradeert Ibelings overzicht tot een vrijblijvend album met exotische postzegels.

Ik heb me bij het lezen voortdurend zitten afvragen wat de eigenlijke drijfveren bij het schrijven  van dit boek zijn geweest. Halverwege het overzicht, in het hoofdstuk over ‘Geschiedenis en geschiedschrijving’, komt Ibelings daar mee voor de dag. Het is het ideaal van een architectuurgeschiedenis zonder grenzen, dat van een waarachtig transnationaal perspectief dat, bevrijd van alle geografische, politieke, historische en disciplinaire obstakels, zicht geeft op: ‘parallelle en haaks op elkaar staande ontwikkelingen, contrasten en harmonieën, overeenkomsten en verschillen’. En in tweede instantie hoopt hij dat het  blootleggen van dergelijke ‘parallelle verbanden’  aanleiding zal zijn om eventuele kruisingen in de geschiedenis nader te onderzoeken. Een opdracht dus op basis van een soort Schengen-akkoord aan een nieuwe generatie architectuurhistorici nadat de oudere eerder als volslagen verblind, beperkt en vooringenomen is afgeserveerd.

Hoe een dergelijke ‘pan-Europese’ geschiedschrijving eruit zou kunnen zien, is het onderwerp van de laatste vier hoofdstukken waarin de geschiedenis van ‘de’ Europese architectuur chronologisch (tot 1914/1917-1939/1945-1989/na 1989) wordt geschetst. Het is duidelijk dat, nu de mijnenvelden van theorie, analyse, semiotiek et cetera achter de rug zijn, Hans Ibelings op vertrouwd terrein is gekomen waar hij zich veel minder agressief en krampachtig kan bewegen. Deze hoofdstukken vormen de eigenlijke kern van het boek en dragen door het rijke aanbod van bekende en onbekende gebouwen en architecten waardevol materiaal aan voor een ‘andere’ geschiedenis van de architectuur in het Europa van de laatste twee eeuwen. Maar dat is niet de eigenlijke boodschap van Ibelings overzicht. Hij wil laten zien hoe het historisch panorama van twee eeuwen Europese architectuur gedomineerd wordt door de zoektocht naar het eigentijdse: het onstuitbare verlangen om ‘modern te zijn’. Een streven waar, anders dan architectuurhistorici ons lang hebben doen geloven,  de architecten van de Moderne Beweging niet het patent op hebben, maar dat ‘overal in Europa tot fascinerende resultaten heeft geleid’. Expressionisme, Art Deco, Classicisme, Functionalisme, Monumentalisme, Traditionalisme of Regionalisme, noem ze maar op, ze vloeien allemaal samen in één groot stilistisch continuüm dat ‘globaal als modern kan worden omschreven’. En het is juist dankzij het blootleggen van deze pan-Europese vormverwantschap dat de Europese architectuur eindelijk de plaats kan krijgen in een mondiale architectuur waar ze recht op heeft. Ik vind dit een mooie gedachte, maar kan me daar als historicus weinig bij voorstellen. Als het uiteindelijk gaat om de positionering van de Europese architectuur in mondiaal verband, is stijl een ontoereikende categorie. En zou ik veel eerder denken aan het preciezer in kaart brengen van de disseminatie en materialiteit van de Europese architectuur en aan de analyse van de architectonische dimensie van migratie en kolonialisme, historische processen waar Europa een cruciale rol in heeft gespeeld en nog steeds speelt. En waar in dit boek nauwelijks over wordt gesproken. Architectuur is, anders dan Hans Ibelings ons wil doen geloven, een complexe aangelegenheid, en de opgave van architectuurgeschiedenis is om die complexiteit uit te leggen. Daarbij is, vrees ik, een stilistisch Esperanto van weinig nut.