Recensie —

New Topographics gedeconstrueerd

Theo Baart

De tentoonstelling New Topographics: Revolutie in de landschapsfotografie die momenteel in het Nederlands Fotomuseum te zien is, is de remake van een expositie uit 1975 in het George Eastman House (Rochester, NY). Deze tentoonstelling wordt in de fotografieliteratuur vaak aangehaald en krijgt veel invloed toegedicht, maar bijna niemand heeft de tentoonstelling destijds gezien, en de catalogus was qua omvang niet meer dan het huidige bonuskrantje van Albert Heijn. Hoe kan New Topographics dan zo invloedrijk zijn geweest?

De jonge curator William Jenkins van het George Eastman House bemerkte in 1975 dat veel van zijn leeftijdgenoten op een andere manier naar het Amerikaanse landschap keken dan de generatie fotografen die in de jaren vijftig en zestig de toon aangaf. De beroemdste fotograaf uit die naoorlogse periode is Ansel Adams, de man die in zwart-wit het monumentale ongerepte landschap fotografeerde. Adams, die niet genoeg had aan de kracht van het landschap zelf, trok geregeld alle registers open en presenteerde gesublimeerde landschappen gemaakt in natuurparken: de André Rieu van de landschapsfotografie. Het werd gevroten en het zijn nog steeds dit soort beelden die door sommige Amerikanen gezien worden als de ware representatie van Amerika.

Weliswaar gebruikmakend van dezelfde fotografische technieken (groot formaat camera, zwart-wit) als Adams en c.s., keken de fotografen die getoond worden in New Topographics de andere kant op. Ze legden het alledaagse landschap vast; keken niet naar de natuur maar naar de cultuur. Een intelligente curator zag een aantal overeenkomsten en baseerde daarop een tentoonstelling. De fotografen die uitgenodigd werden, kenden elkaar niet altijd en er was zeker geen sprake van een beweging met een programma. Baanbrekend was hun thematiek: Lewis Baltz fotografeerde bedrijventerreinen, Nicolas Nixon de teloorgang van de stad Boston, Joe Deal de suburbanisatie van California. In 1975 een verfrissende keus.

New Topographics
, is er dan ook zoiets als Old Topographics? Ja zeker, Timothy O’Sullivan en Eadweard Muybridge brachten in de tweede helft van de negentiende eeuw the Frontier in beeld. Fotografen (soms opgeleid als landmeter) trokken naar het Westen en legden op een zakelijke manier het Amerikaanse landschap vast. Daarna brak er een periode aan waarin er op een meer schilderachtige manier naar het landschap gekeken werd. In de jaren dertig kwam Walker Evans met zijn belangstelling voor schuren, boerderijen en kerken. Althans, zo wordt het ons voorgeschoteld in de fotografiegeschiedenis: de ene stroming volgt de andere op. Heel overzichtelijk, maar zo gaat het natuurlijk niet echt. Beide benaderingen worden tegelijkertijd beoefend. Alleen de ene stroming valt wat meer op dan de andere en krijgt terugkijkend meer gewicht toegekend. Dat overkwam New Topographics ook: van ongezien tot een mijlpaal in de fotografiegeschiedenis.

Tegenwoordig wordt geclaimd dat iedere landschapsfotograaf die geen molens en kastelen fotografeert schatplichtig is aan New Topographics. Dit is een kunsthistorische reconstructie. Hoe ging dat in de jaren zeventig en tachtig in Nederland? Af en toe sijpelde een boek van een Amerikaanse fotograaf door naar Nederland. Ik denk aan het werk van Stephen Shore en Joel Sternfield. Met een groot formaat camera trokken zij door Amerika om het alledaagse landschap vast te leggen. Dat sprak aan. In die tijd was in Nederland de landschapsfotografie verpacht aan de fotografen van de ANWB Kampioen en Natuurmonumenten. En Nederland zag er anders uit dan ons door hen werd voorgeschoteld. De manier van kijken – de afstandelijke blik – van de fotografen die getoond waren in New Topographics is zeker van invloed geweest op een generatie Nederlandse fotografen; van Siebe Swart, de fotograaf als boekhouder die aantoont dat het landschap verandert, tot de licht ironische Hans van der Meer die een nieuwe betekenis geeft aan het begrip cultuurlandschap. Beïnvloed misschien zonder dat ze ooit van New Topographics gehoord hadden, maar wel doordat ze het werk van sommige fotografen kenden. Ik denk dat hoe divers ook, de Nederlandse landschapsfotografie een eigen toon heeft die afwijkt van de fotografie in New Topographics. Het verschil is interessanter dan de overeenkomst: Nederlandse fotografen presenteren hun werk veel vrijer, minder museaal.

Ik was in juni 2009 bij de opening in het George Eastman House voor de remake van New Topograhics die nu Rotterdam aandoet. Aanwezig was ook de Amerikaanse landschapsfotograaf John Pfahl die als ongeveer de enige op deze wereld de tentoonstelling in 1975 had gezien. Ik vroeg hem wat hij van het weerzien vond: “Ik was vergeten hoe saai het was”.
Is het dan nog nodig om te gaan kijken naar de tentoonstelling New Topographics? Kijken naar hoe Amerikanen in 1975 aankeken naar hun omgeving? Ja. De fotografie is nog steeds goed, ook al is de presentatievorm gedateerd. Fotografie is een onverslaanbaar medium om het veranderend landschap te documenteren. In New Topographics komen alle relevante thema’s in de ruimtelijke ordening aan bod. Samen met de essays in de voorbeeldige catalogus van Britt Salvesen en Alison Nordström geeft de tentoonstelling een goed inzicht in wat fotografie kan betekenen voor het begrijpen van het landschap. De reconstructie is boeiend en leerzaam, maar wat ik erg graag nog had willen zien, is hoe dezelfde Amerikaanse fotografen de afgelopen veertig jaar naar hun landschap hebben gekeken; dat had een spannende combinatie kunnen zijn geweest.