Recensie —

Tegen beton en ellendige paardjes: het Grote Landschapsboek van Willem van Toorn

Remco Daalder

De inrichting van de openbare ruimte en het landschap moeten niet worden overgelaten aan de vrije jongens van het snelle geld. Dat resulteert razendsnel in onleefbare binnensteden en een onwezenlijk buitengebied, waar linten bedrijventerreinen en weemoedige Schotse Hooglanders elkaar in eentonige voorspelbaarheid afwisselen. Dat is de centrale boodschap van schrijver Willem van Toorn, in 2010 winnaar van de Groeneveldprijs voor zijn bijdragen aan het debat over de groene ruimte. Uitgeverij Querido bundelde zijn artikelen over het landschap in en buiten de stad. Zijn pleidooi voor meer overheidsbemoeienis komt op een goed moment. Misschien zelfs iets te laat.

Willem van Toorn (1935), dichter, schrijver, vertaler, is het levende bewijs van de stelling dat je afkomst, niet alleen die van je zelf maar ook die van je familie, bepalend is voor je kijk op de wereld om je heen. Van Toorn maakt zich in zijn boek kwaad over de teloorgang van het rivierenlandschap van zijn ouders en voorouders. Eeuwenlang is dat cultuurlandschap van rivierbeddingen met kribben en uiterwaarden nauwelijks veranderd. Halverwege de jaren negentig dreigde het vanwege dijkverzwaringen ingrijpend op de schop te gaan. Opgejut door maatschappelijke protesten veranderde de rijksoverheid haar plannen ingrijpend en het landschap werd gespaard. Voor Van Toorn is dit een bewijs voor de noodzaak van sterke bemoeienis van de rijksoverheid met het landschap. Mij lijkt het vooral een bewijs voor het belang van kritische burgers die meedenken en maatschappelijk protest.

Volgens Van Toorn ging het pas echt mis in Nederland toen de rijksoverheid in 2004 met de Nota Ruimte de teugels liet vieren. De lagere overheden gingen elkaar beconcurreren in plaats van samenwerken en de markt greep zijn kans. Het resultaat: kilometerslange linten van eenvormige bedrijventerreinen, kantoorgebieden, leisure centra en shopping malls, met nieuwe natuur erbij om het een beetje goed te maken. “En ik zie die natuur alweer voor mij: wetlands allicht, met paden erdoor en Schotse Hooglanders erin en ellendige paardjes die behoorlijk agressief kunnen zijn, en vooral met een informatiecentrum en veel bordjes die de bezoeker als een kind toespreken.” Als je het landschap overlaat aan de vrije jongens van het snelle geld dan krijg je Zaltbommel, “waar tussen stad en snelweg een muur van kantoren en bedrijven is opgetrokken waarachter stad en rivier totaal zijn verdwenen.”
De rijksoverheid moet, aldus Van Toorn, de grenzen aangeven waarbinnen de markt in het landschap mag werken. Geef je de markt de vrije teugel, dan krijg je een resultaat dat vergelijkbaar is met dat van Communistische planeconomieën: overal gebeurt hetzelfde, stad en land worden eenheidsworsten en culturele waarden worden vernietigd, omdat ze geen directe inkomsten genereren.
Van Toorns pleidooi is emotioneel, voortkomend uit een persoonlijke binding met het rivierengebied, en daarnaast intellectueel. Het is een verademing om weer eens een boek te lezen van een schrijver die durft uit te komen voor zijn belezenheid en die zich niet schaamt voor culturele diepgang. Dat is in deze tijd al een statement op zich zelf. Helaas is zijn oproep voor debat over de toekomst van het landschap bij de huidige regering aan dovemansoren gericht. Minister Schulz gaat nog veel verder dan haar voorgangers bij het beperken van de rol van de Rijksoverheid bij de ruimtelijke ordening. We kunnen meer Zaltbommels gaan verwachten met ernaast ellendige paardjes en weemoedige Hooglanders.

Van Toorn schrijft niet alleen over het landschap van zijn ouders, het landschap waar hij zelf in opgroeide bepaalde zijn kijk op de stad. Als we hem mogen geloven was Amsterdam West in die tijd een paradijs. Een kleinschalige, gemengde stad met een zorgvuldige architectuur. Met de statige Hoofdweg en het Mercatorplein. Met de Jan Evertsenstraat als stadsstraat bij uitstek: winkeltjes, horeca, werkplaatsen, een luifel die de wandelaars tegen regen beschermde, woningen erboven. Levende architectuur, alles in baksteen. En met een messcherpe scheiding tussen stad en land. Na de stad van Berlage lag meteen de polder waarvandaan de tuinders in kleine bootjes naar de stad voeren om in  de Centrale Markthallen hun waar te verkopen. Van Toorn richt met woorden een monumentje op voor de stedenbouwkundige Pieter Verhagen, de pionier van de landschappelijke stad, die vond dat de stad een onderdeel is van het landschap en er een verrijking van kan vormen.  “De landschappelijke stad is zelf een landschap, waarbij elke bocht een verrassing op kan leveren.” Juist de menselijke aanwezigheid maakt dit landschap boeiend.
Die menselijke aanwezigheid mist Van Toorn in het Amsterdamse Nieuw West van Van Eesteren. “Wat ontbreekt zijn levendige, nieuwsgierig makende plekken in de wijk zelf, plekken waar kinderen konden zien hoe volwassenen aan het werk waren, waar ook ’s avonds leven en licht was, waar niet alleen geslapen werd voordat je op weg ging naar je werk of er van terugkwam, maar waar ook gewerkt en geleefd werd.” Hij constateert met genoegen dat de inspanningen van de laatste jaren, waarbij de gemeente Amsterdam de strenge stedenbouwkundige structuur openbreekt, de architectuur teruggrijpt op vroeger en baksteen het beton vervangt, leven brengt in de wijken. “Het is zowaar bedrijvig en vrolijk in Osdorp”, schrijft Van Toorn, en roemt daarbij de allochtone ondernemers die met hun handelsgeest elke kans grijpen die de overheid ze biedt. Alweer zo’n politiek volkomen incorrect statement in deze Wilderiaanse tijden.
Ook bij Van Toorns beschouwingen over de stad komt de overheid ter sprake, in dit geval als beheerder van de openbare ruimte. Ook in de stad moet je het landschap niet overlaten aan de vrije markt, dat leidt tot eenvormige terrassenterreur en massacultuur. Ook hier moet de overheid de grenzen stellen en de inrichting bepalen om te voorkomen dat bewoners worden weggedrongen door commercie. Van Toorn citeert met instemming Winston Churchill: “Eerst geven wij vorm aan de openbare ruimte, daarna vormt de openbare ruimte ons.”

Deze bundeling van artikelen komt op een goed moment. Van Toorns pleidooi voor meer overheidsingrijpen spreekt aan, al verdient het ook enige relativering: het door hem zo verfoeide Nieuw West is ontstaan onder strikte regie van de overheid. Juist het samenspel tussen overheid, kritische burgers en de markt levert aantrekkelijke stadswijken met de zo gewenste kleinschaligheid. Alle drie de partijen zijn daarvoor nodig, en dat geldt ook voor het buitengebied.
Het Grote Landschapsboek is geen receptenboek voor landschapsinrichting, wat je uit de titel wellicht af zou kunnen leiden, maar een bundeling essays die aan het denken zet. Van Toorn stelt de goede vragen. Waarom moeten we overal woningen bouwen alsof de duivel ons op de hielen zit, terwijl grote delen van Nederland al krimpgebieden zijn? Waarom is ons Europese en nationale subsidiestelsel gericht op schaalvergroting in de landbouw, terwijl juist schaalverkleining de redding van het landschap en van de boeren zou kunnen betekenen? Ja, waarom eigenlijk?
Wat de laatste vraag betreft: Brussel is bezig om het Europese subsidiestelsel voor de landbouw te herzien. Het echte debat daarover moet nog beginnen en laten we ons, geïnspireerd door Van Toorn, daar vooral mee gaan bemoeien.