Feature —

Een experiment in Veenendaal

Tijs van den Boomen

Uit alle macht probeert Tijs van den Boomen een bezoek aan Veenendal te vermijden: met internet krijg je toch ook een beeld van deze voormalige wolstad? Uiteindelijk laat hij zich uitdagen door de Zwitserse hoogleraar Lucius Burckhardt, de grondlegger van de Spazierwissenschaft. Te voet ontdekt hij een stad vol breuken en afwisseling.

Eerst Veenendaal zien en dan sterven. Ik geef toe, slechts weinigen zullen zo’n diep verlangen hebben om de stad te bezoeken die halverwege Utrecht en Arnhem aan de A12 ligt. Het kilometerslange bedrijventerrein aan de snelweg helpt ook niet echt om de vlam te ontsteken. De afslagen Veenendaal en Veenendaal-West heb ik tot nu toe dan ook altijd links laten liggen. Bovendien: je hoeft tegenwoordig toch helemaal niet meer naar een stad toe om die te zien? Met behulp van internet kun je je toch net zo goed een beeld vormen en misschien zelfs wel beter? Grondige research levert de achtergrondinformatie, daaruit destilleer je een visie en met Google Streetview krijg je er vervolgens letterlijk de beelden bij. Waarom nog langer de deur uit?

Googelen levert als trefwoorden: 54ste stad van Nederland, bible belt, voormalige wolindustrie, uit zijn krachten gegroeid dorp, tien procent niet-westerse allochtonen, groene stad, aaneenschakeling van woonwijken. Om grip te krijgen op de stad ga ik vervolgens op zoek naar de verschillen tussen de wijken. Zo bereikte de PVV in Veenendaal tijdens de laatste verkiezingen zijn hoogste score in het Franse Gat (23%), de ChristenUnie piekte in De Pol (22%) en de SP in de Schrijverswijk (8%). Met behulp van het CBS ontdek ik dat huurwoningen en bejaarden in het Franse Gat de boventoon voeren, kinderen en autobezit in De Pol en allochtonen en bijstandsuitkeringen in de Schrijverswijk. De Leefbaarometer kleurt het beeld letterlijk in: het Franse Gat lichtgroen (matig positief) tot groen (positief), De Pol in zijn geheel donkergroen (zeer positief) en de Schrijverswijk oranje (negatief) tot geel (matig).

Met Pegman, het mannetje van Google Streetview, kijk ik vervolgens rond. De Schrijverswijk heeft, zoals te verwachten is, veel flats uit de jaren vijftig. Google mag de gezichten dan automatisch onherkenbaar maken, de huidskleur is duidelijk niet lelieblank, naast café Istanbul zit een coffeeshop. In het Franse Gat is de bedrijvigheid veel gevarieerder: er zitten een tattooshop en een kringloopwinkel, maar ook winkels met ‘sleeping concepts’, bladmuziek en boeddhabeelden. Er zijn rijtjeswoningen, bakstenen portiekflats en jarendertighuizen. De mensen op straat zijn hoofdzakelijk wit en aan de dikke kant. En De Pol ten slotte is een keurige wijk met rijtjeshuizen, veel parkeerplaatsen en nette tuinen, met hoofdzakelijk coniferen en sierstruiken. Veel mensen zie je niet op straat, soms een moeder met kinderen.
Beelden in overvloed, maar het zijn vooral beelden die aansluiten bij de ideeën die ik al had: een doorsnee provinciestad met een nette christelijke, een arme allochtone en een levendige volkse wijk. Saai, voorspelbaar, dertien in een dozijn. Het is niet zo dat ik bewust heb gemanipuleerd bij de selectie van de beelden: al surfend vielen ze me toe en complementeerden ze de schema’s in mijn hoofd.

Precies voor deze valkuil waarschuwt de Zwitserse hoogleraar Lucius Burckhardt, de inmiddels overleden grondlegger van de Spaziergangswissenschaft. Landschappen en steden bestaan volgens hem alleen als voorstelling in ons hoofd en daaraan passen we de werkelijkheid aan. Daarom ontwikkelde hij in de jaren tachtig van de vorige eeuw de wandelwetenschap. Om steden en landschappen te verkennen moet je er volgens hem niet alleen naartoe, je moet ook fysieke inspanning verrichten: alleen te voet kun je een stad of landschap werkelijk peilen.
Ik neem de handschoen op besluit tot een wandeling van het bedrijventerrein in het noorden van Veenendaal, via de genoemde drie wijken naar het bedrijventerrein dat de stad aan de zuidzijde afsluit. Enigszins lukraak loop ik dwars door de stad, een half oog op de trackfinder die mijn route vastlegt in Google Maps, en ontdek een stad die veel levendiger en rommeliger is dan ik me had voorgesteld.
Ze staan niet op de kaart en ook in Streetview zie je ze niet, maar ze zijn er weldegelijk: achterommetjes, gangen achter de huizenblokken, uitgesleten voetpaadjes over veldjes, brandgangen tussen bedrijvenpanden. Te voet ben je bevrijd van de autoblik waarmee Streetview je opzadelt. Overigens maakt Google sinds kort ook gebruik van trikes, driewielige fietsen met camera’s, maar dan nog komen alleen de gebaande paden in beeld.

Niet alleen de route door de stad is veel beweeglijker en grilliger dan ik dacht, dat geldt ook voor de stad als geheel. Want hoewel Veenendaal veel moeite heeft gedaan om de sporen uit te wissen, zie je toch nog overal de breukenlijnen en contrasten die de snelle industrialisering en bevolkingsgroei met zich mee hebben gebracht. Fabrieken en loodsen vind je tot binnen de centrumring, zoals je omgekeerd op de bedrijventerreinen woonhuizen aantreft. Tussen de huizenblokken stuit je op moestuinen die herinneren aan armere tijden, bedrijvigheid dringt tot diep in de woonbuurten door. Trots is Veenendaal niet op deze rommeligheid – in de Centrumvisie 2030 overheerst de roep om meer orde – maar de functionele menging en de gefragmenteerde structuur zijn juist belangrijke kwaliteiten van de stad.

Op Streetview waren deze eigenschappen me ontgaan: een digitale stad is een ruimtelijk vacuüm waarin de dimensie tijd ontbreekt. Omdat overgangen en beeldwisselingen hier per definitie abrupt en zonder samenhang zijn, negeer je ze automatisch. Pas als je gaat lopen – en een afstand van honderd meter minstens een minuut in beslag neemt – wordt een zinnige beoordeling van samenhang en contrast mogelijk, van continuïteit en dynamiek, van ritme en afwisseling. Wandelen is dus nog steeds het beste instrument voor stedenbouwers.