Recensie —

Lof van het empathisch pragmatisme

Carlos Ramos

Rotterdam, 18xx. Een man op de noordoever van de Maas ziet aan de andere kant een andere man lopen. Hij zet zijn handen als een toeter aan zijn mond en roept: ‘Hé, hoe kom ik aan de overkant?’ Roept zijn overbuurman in het zuiden: ‘Weet ik niet, ik ben hier geboren.’
De Manzanares is waar hij door Madrid stroomt tien keer smaller dan de Maas in Rotterdam, maar een barrière was het. De rivier heeft de turbulente zuidelijke expansie van de stad doorstaan als een kruising tussen een zwijgende toeschouwer en een kwetsbaar bastion. Die expansie is verlopen als een soort hordeloop waarin de stad telkens weer over zelf opgerichte programmatische horden moest springen als ze een kritiek punt bereikte, totdat Madrid Río voor het publiek werd opengesteld.

De worsteling met de Manzanares ontstond in de nasleep van het masterplan van Castro uit 1848 en de daaropvolgende afbraak van de stadsmuren – de eerste horde – en de opkomst van de Industriële Revolutie die verspreid over de noordelijke oever allerlei productiegebouwen deed ontstaan. Om die gebouwen onderling te verbinden werd een spoorlijn aangelegd tussen de stations die nu Atocha en Príncipe Pío heten – een tweede fysieke horde, die werd genomen met de verordeningen van 1963, gericht op de verwijdering van alle industriële overblijfselen uit het gebied. De industrialisering had een massale woningbouw en uitdijing van de stad met zich meegebracht, gebundeld in wijken die naarmate je zuidelijker komt chaotischer worden. De wijken maakten op hun beurt de aanleg van de M-30 nodig, de ringweg die de kern van de metropool omlijst en in zijn zuidwestelijke traject parallel aan de rivier loopt. De verkeersstromen, die een zesbaans snelweg nodig hadden plus de afrit van de A-4, werden in 2004 met één gedurfde klap als een Gordiaanse knoop doorgehakt in een van de ingrijpendste chirurgische operaties die de stad ooit heeft ondergaan. Hierdoor kwam de rivier weer tevoorschijn als de oorspronkelijke, nu functieloze zuidelijke barrière, maar nu bracht ze ineens ook twee radicaal verschillende stedelijke condities aan het licht: de wankelheid van de periferie, gekenmerkt door een vergrijzende bevolking, een massale instroom van immigranten, een hoog criminaliteitscijfer en een gebrek aan ondernemersactiviteit, en anderzijds de goed geconserveerde ‘amandel’1.
Er werd een internationale prijsvraag uitgeschreven om de rivier in haar oorspronkelijke loop en oevers te herstellen, en de braakliggende grond die overbleef na de ondertunneling van de M-30 erbij te betrekken. De winnende inzending van Mrio Associated Architects2 en West 8 leek in te spelen op de onderliggende dimensie van de opdracht, formuleerde een zorgvuldig antwoord op een scala aan niet-gestelde vragen en bood een aantal solide stimuli.

Gegeven de sociaal-politieke context is Madrid Río te omschrijven als een kinetische operatie. Kinetisch, omdat het park van circa 120 hectaren werkt als een sociale condensator die samenhang brengt in de activiteiten op beide oevers, lucht brengt in de voorheen verstikkende dichtheid van de zuidoever en dit gebied voor eens en voor altijd naadloos met het stadscentrum verbindt. En kinetisch omdat het geen verdergaand potentieel bevat voor een evolutie naar een complexere en rijkere organisatie van de stad. Het te voorziene perspectief van het project lijkt dan ook uitermate geschikt voor een Spaanse grootstedelijke context, waar stedelijk potentieel van oudsher steeds weer wordt uitgebuit voor speculatieve doeleinden, wat een ernstige bedreiging inhoudt voor het lot van onze steden. In die zin is deze gedurfde, integrale operatie het beste wat Madrid had kunnen overkomen.

Madrid Río ademt bovendien een lofwaardige empathie die misschien wel de hoeksteen van echte stedenbouw vormt en die door José Miguel Iribas wordt aangeduid als ‘de immateriële componenten die de culturele en sociale fundamenten leggen van de stedelijke conditie’3. Net als Times Square of Piccadilly Circus wordt Madrid Río ondanks zijn korte bestaan al intensief gebruikt door bewoners van alle leeftijden, alsof de rivieroevers er altijd al bij gelegen hebben zoals nu. Het verbluffende sociale succes stelt de architectonische kwaliteiten en details finaal in de schaduw: niemand schijnt zich druk te maken over de met graniet beklede verkeersmuren of de luxueuze, Portugees aandoende mozaïekbestrating. Misschien is dat omdat die ornamenten, samen met een scala aan andere details ontleend aan de Iberische bouwcatalogus, opgeslagen liggen in het collectieve geheugen van de Spanjaarden en van daaruit op de een of andere manier Iribas’ stelling ondersteunen. De rivier zelf wordt pragmatisch ontkend en genegeerd als actief stedelijk element; gereduceerd tot de staat van object en uitgerust met tal van locale attracties, wat getuigt van een nuchter inzicht in het lot van de Manzanares. De rivier was al vanaf de negentiende eeuw verdoemd en is vandaag de dag hopeloos vervuild; ze had dus nooit de rol kunnen spelen die de buitenlandse inzenders (Herzog & de Meuron, Perrault, Eisenman + Corner en SANAA) ervoor in gedachten hadden. De opdracht vroeg niet expliciet om een rol voor de rivier4 want er is nog geen zicht op een beheersplan voor de natuurlijke rijkdommen; investeerders zien er dus niets in en, eerlijk gezegd, het leeuwendeel van de Spaanse bevolking ook niet.

De tien kilometer lange promenade bevat enkele interessante elementen, zoals de nog onvoltooide integratie van het oude abattoir (nu een belangrijk cultureel centrum) in het lineaire park of de diversiteit aan plekken in het nieuwe Arganzuelapark, om er enkele te noemen. Deze en andere bijzonderheden worden preciezer beschreven in de teksten van de architecten en afgebeeld op het grote assortiment aan foto’s dat overal te vinden is. Maar wat het project in mijn ogen de moeite waard maakt is de Kwinteriaanse5 infrastructurele idiosyncrasie. Om de kwaliteiten daarvan behoorlijk te kunnen appreciëren vereist het project een actieve flâneur die bekend is met de vroegere staat van de rivier en haar omgeving. Maar de meest adequate manier is misschien toch het ervaren van de opgewonden sfeer die gebruikers creëren.

Het is in Madrid momenteel uitermate hip om de gigantische proporties van het plan te benadrukken evenals de irrationele geldbedragen die in de uitvoering ervan zijn gestoken. Het valt ook niet te ontkennen dat de stad nog vele jaren diep in de schulden zal zitten. Maar het is ontstellend te zien hoe dit debat vaak vanachter een sluier van goedkoop snobisme wordt opgestookt door architecten of planologen die zelf verantwoordelijk zijn geweest voor de slechtste perifere ontwikkelingen in de hedendaagse geschiedenis van de stad, die in totaal misschien net zoveel hebben gekost als Madrid Río. Maar Madrid Río is er wel in geslaagd een stedelijk litteken efficiënt dicht te naaien, de sociale en culturele structuren van de aangrenzende wijken op te krikken en nieuwe ontwikkeling te brengen in een gestrande buurt op nog geen kilometer afstand van het Koninklijk Paleis. Natuurlijk zijn er vragen die men met een pervers plezier zou kunnen stellen. Heeft een onder de grond begraven snelweg geen thermodynamisch potentieel dat nu onbenut blijft? Hadden bepaalde kostbare details van de tunnels, zoals de versiering van de ventilatiekanalen, niet ingeruild kunnen worden voor een beter beheer van de rivierbedding nu de rivier nog altijd stinkt? Hadden de verkeersopstoppingen bij stadion Vicente Calderón, de 55 duizend zitplaatsen tellende thuisbasis van Atlético de Madrid, niet beheerst kunnen worden met een betere indeling van de verkeersstromen en infrastructuur in de stad, zodat het stadion niet gesloopt hoeft worden? Benaderen we de lotgevallen van de stad nog altijd alleen via visuele en academische analyse? Deze en dergelijke vragen zullen voor altijd onbeantwoord blijven, hoewel ze allemaal in één richting wijzen die Federico Soriano een paar jaar geleden zo omschreef: ‘De jury’s zijn in elke competitie de deelnemers die werkelijk op de proef worden gesteld’6. Ik ben het helemaal met zijn stelling eens, niet alleen omdat de jury kan beslissen over welke kant het met de stad op gaat, maar vooral vanwege de armslag die zo’n jury krijgt bij het vaststellen van een prijsvraagopdracht. Soms concentreert een jury zich strikt op het ontwerp en is niet in staat tot een blik van opzij.
Zoals is gebleken uit de Place Léon Aucoc in Bordeaux van Lacaton & Vassal zijn er meerdere strategieën denkbaar die meer architectonische eigenschappen bevatten dan de traditionele middelen die vroeger of later te kort schieten om te voorzien in de behoeften van onze hedendaagse steden.