Opinie —

Erfgoedstatus grachtengordel is een blunder

Errik Buursink

In de nacht van 1 op 2 augustus 2010 verhief het Werelderfgoedcomité van UNESCO de Amsterdamse grachtengordel tot Werelderfgoed. Het verkrijgen van de fel begeerde status werd door de monumentenverenigingen in de hoofdstad als een overwinning gevierd. Er klonken ook kritische geluiden over de voortschrijdende vertrutting van de stad, over musealisering en Disneyficatie. Ironisch genoeg blijkt juist de UNESCO het historiserend bouwen in de grachtengordel tegen te gaan. En ook dat staat het voortbestaan van een levende binnenstad in de weg.

De status van Werelderfgoed zal allesbehalve leiden tot een reactionair gefröbel met historiserende geveltjes. UNESCO heeft zich altijd duidelijk uitgesproken tegen het nabouwen van historische stadsbeelden en eist in geval van vernieuwing eigentijdse architectuur. Dat ondervond Stichting Stadsherstel aan den lijve, toen het voorstel om de Haringpakkerstoren te herbouwen op protest van UNESCO stuitte.
De herbouw van de toren gaat niet door, ondanks het feit dat enthousiaste burgers het geld ervoor al bijeen gebracht hadden. Zuur voor Stadsherstel, vooral omdat de stichting zelf het initiatief nam tot de Nederlandse voordracht van de grachtengordel als Werelderfgoed. Er moet wel een hele goede reden zijn om in een democratische rechtsstaat de inwoners van een stad de bevoegdheid te ontnemen om te bepalen wat voor gebouwen er wel of niet mogen verrijzen. Daar kwamen die inwoners door het stellen van welstandseisen tot nu toe gezamenlijk heel aardig uit. En aan redelijke eisen van welstand voldeed de toren alleszins. Wat in de weg staat is hetgeen UNESCO onder authenticiteit verstaat: “The design of the Kop Singel Plan must be clearly contemporary, so as not to create pseudo-historic architecture which would permanently affect the authenticity of the buffer zone and the authenticity of the view from the Singelgracht, inside the property”. Mooi gezegd, maar hoe authentiek is de grachtengordel nu eigenlijk?

Langs de vier hoofdgrachten, en zeker in de zogenaamde bufferzone, is er sinds de zeventiende eeuw nauwelijks een steen op de andere blijven staan. De Amsterdamse binnenstad is door de eeuwen heen continu aangepast aan de veranderende eisen die economie en samenleving stelden. Die bereidheid tot aanpassing kwam echter tot stand als compromis. Toen de Amsterdamse economie vanaf de jaren 1880 in een stroomversnelling kwam en er steeds meer vraag ontstond naar kantoorruimte, winkelvoorzieningen en ruimte voor verkeer, klonken er vanuit de samenleving al heel snel protesten tegen de aantasting van het oude stadsschoon. Men is toen niet bij de pakken neer gaan zitten. Een coalitie van monumentenzorgers en architecten is aan het werk getogen om vernieuwing op een esthetisch aanvaardbare wijze vorm te geven. Op een kort modernistisch intermezzo tussen 1955 en 1990 na betekende dit in de praktijk schaamteloos historiseren.

De hele binnenstad staat vol ‘pseudo-historic architecture’. Het is er misschien zelfs de meest bepalende bouwstijl. Neorenaissance, neogotiek, neoclassicisme, de hele historiserende rataplan van tussen 1880 en 2008 trekt tijdens een wandeltocht over de grachten voorbij. Soms zo goed gedaan dat de monumentencommissie zich erdoor liet bedonderen, soms als ironische follie, vaak ook zeer banaal, maar storen doet het nergens. De enige periode dat eigentijdse (lees: modernistische) architectuur dominant kon zijn, was tijdens de overheidsgestuurde sanering van de Jodenbuurt en de stadsvernieuwing in de Jordaan. Wanneer burgers en Amsterdamse bedrijven investeerden, gebeurde dat meestal in lijn met de bestaande esthetiek langs de straten en grachten.
Volgens mij is er bij de voordracht voor de Werelderfgoedstatus een kapitale fout gemaakt, die de hoofdstad nog lang zal achtervolgen en ingrijpende gevolgen kan hebben voor hoe de binnenstad er uit zal gaan zien. Niet het statische gebouwde erfgoed had het uitgangspunt moeten zijn, maar de wijze waarop een democratische burgerlijke samenleving vol liefde de aan haar overgeleverde gebouwde omgeving aan de veranderende eisen van de tijd heeft weten aan te passen. Het grootste monument van de Republiek Amsterdam is de zorgvuldige omgang met haar oude binnenstad. Een schitterend voorbeeld van immaterieel erfgoed, dat bovendien interessanter is dan de – overigens zeer belangrijke – arbeid om de gebouwen zelf overeind te houden. Een erfgoed bovendien dat voor de toekomst nog veel goeds in petto kan hebben. Want verval van gebouwde monumenten is uiteindelijk niet te stoppen, zeker niet in het veenmoeras langs de Amstel, maar een levende traditie kan men tot in de eeuwigheid voortzetten.

De definitie van authenticiteit, die UNESCO hanteert, zegt de bewoners, miljoenen toeristen en de duizenden innovatieve bedrijfjes en hun werknemers, die vooral door de ruimtelijke kwaliteit van de Amsterdamse binnenstad worden aangetrokken, helemaal niets. Een plek op de Werelderfgoedlijst is een eer, maar wanneer deze in tegenspraak is met het voortbestaan van de binnenstad als harmonieus stadslandschap, zou de republiek Amsterdam ervoor moeten bedanken. En nu snel bouwen die toren!