Opinie —

Fusion architectuur – oude wijn in nieuwe zakken

Leo Oorschot

In het vorig jaar verschenen boek Fusion. Pleidooi voor een sierlijke architectuur in een open samenleving van Wilfried van Winden wordt de architectuur van zijn bureau WAM gepresenteerd als het ideale gerecht dat iedereen op de wereld herkent en smakelijk vindt. Het bijna opgeleverde woongebouw De Oriënt in de Haagse volkswijk Transvaal zou zo’n voortreffelijk recept moeten zijn. Maar is ‘fusion architectuur’ werkelijk een nieuw maakbaarheidsideaal zoals WAM-architecten betoogt?

Globalisering heeft een homogeniserende werking op architectuur: een kleine architectuurelite reist de wereld rond en strooit zijn gebouwen in Dubai, Shanghai, Moskou. Londen, New York of Amsterdam. Het antwoord van WAM op deze homogenisering is Fusion architectuur. De tegenstelling 'global' en 'local' wordt overwonnen door een architectuur die voor iedereen herkenbaar en invoelbaar is. Architectonische kenmerken uit verschillende culturen worden met elkaar in verband gebracht en tot er één nieuwe architectuur gevormd. WAM pleit daarbij voor een sierlijke architectuur: fusion als lijm voor de versplinterde multiculturele samenleving. Want dat vooronderstelt men impliciet in het boek: onze eroderende samenleving roept om een architectkunstenaar die met zijn werk de eenheid herstelt.

De enscenering van een omgeving die mensen prettig vinden, daar draait het om. WAM noemt het een architectuur van behagen. Deze architectuur moet een 'sfeer' oproepen die, door 'herkenning' en de 'ervaring van schoonheid', mensen aanspreekt ongeacht hun culturele achtergrond. Architectuur vervult niet alleen materiële behoeften, maar is ook een middel om 'eigenheid' uit te drukken en emotionele behoeften te vervullen, zo betoogt WAM.

Het woongebouw De Oriënt in de Haagse wijk Transvaal is een gesloten bouwblok met degelijke woonkeur plattegronden, dat keurig in de stedelijke structuur is opgenomen. Met luxe woningen en appartementen, afgesloten binnenterreinen en een gesloten ondergrondse parkeergarage, moet de Oriënt vooral de Hindoestaanse middenstanders voor de wijk behouden. De gevels kregen daarom een Hindoestaanse ornamentiek. Maar er zijn ook Art Nouveau invloeden te bespeuren, sierlijke kroonlijsten met pinakels als kolibries, geglazuurde stenen die het bruine metselwerk verrijken en hekwerken met gotische bogen. Op de kleurige verkoopbrochure prijkt een schitterende pauw die schakering van de wijk lijkt te symboliseren.

Welke 'eigenheid' Van Winden bedoelt blijft onduidelijk. De 'eigenheid' van bepaalde bewoners of van alle bewoners? Dat laatste lijk me problematische gezien de vele culturele achtergronden van de bewoners in de wijk. De 'eigenheid' van de wijk? Dat lijk me niet het geval, ondanks de feestelijke architectuur staat De Oriënt toch in beeldcontrast met de wijk. Met 'eigenheid' blijkt hij niet zoiets als 'streekeigen' of 'lokale' architectuur te bedoelen. Het zoeken naar het 'streekeigene' negeert volgens Van Winden bewust de vernieuwing van de traditie en focust zich op zoiets als 'historische identiteit'. Deze wordt slecht herbevestigd en gebruikt voor het onderdrukken van een complexe hedendaagse identiteit die als on-Hollands wordt getypeerd en als bedreigend wordt ervaren. Volgens hem kan kunstenaarsschap de tegenstelling 'global' versus 'local' overwinnen en biedt de gefragmenteerde samenleving zo een nieuw perspectief. Men kan echter ook de conclusie trekken dat Van Winden zich niet kan neerleggen bij de realiteit van een heterogene wereld en dat daarom een ideale hutspot moet worden gekookt.

Met De Oriënt richt WAM zich in opdracht van ERA contour op de Hindoestaanse doelgroep, die overigens maar een heel klein percentage van de bevolking van het zeer multiculturele Transvaal uitmaakt. WAM bepleit met woorden een menging van identiteiten en bouwt in de praktijk voor één doelgroep in één beeldtaal bestaande uit specifieke plant- en diermotieven. Bij De Oriënt lijkt het maakbaarheidideaal: 'iedereen is anders maar de sfeer en het karakter van de wijk scheppen de eenheid' te zijn verlaten.

De vraag is natuurlijk of de Haagse 'lokale architectuur' en 'historische identiteit' wel zo eenvoudig als streekeigen kan worden afgedaan. Den Haag kent een lange traditie van heterogene architectuur, waarbij motieven uit alle windstreken met plaatselijke architectuur is verenigd. Bijvoorbeeld het woongebouw Sri Wedari (Maleis voor 'de Hemelse Tuin') uit het einde van de negentiende eeuw op de hoek van het Sweelinckplein en de Banstraat waar Oost-Indische romantiek werd verbonden met de Hollandse neorenaissance. De Friese architect Klaas Molenaar won een concours voor gevels in Duinoord met in de jury grootheden als Cuypers en Gugel. Verschillende details uit verschillende Hollandse steden ten tijden van de Gouden Eeuw werden op een elegante manier samengevoegd met Oost-Indische motieven. Een waarlijk heterogeen woonpaleis. Er ontstond een sprookjesachtige architectuur met een diepe gelaagdheid, een gebouw waar indertijd de Oost-Indische repatrianten en de stijve Hagenaren zo trots op waren. In veel negentiende-eeuwse wijken zijn 'global' en 'local' aspecten aan te wijzen bij gebouwen. Het idee dat het om een tegenstelling gaat is onzinnig. Tegenwoordig is het Sweelinckplein de parel van Den Haag en in de verklaring van Deltametropool eind jaren negentig stelde men zelfs vast dat het bepalend was voor de identiteit van Den Haag. Fusion: zo typisch Haags.