Recensie —

Vlaamse vrijetijdsarchitectuur

Mieke Dings

Het zijn van die ruimtes waar iedereen wel een deel van zijn leven heeft doorgebracht: het zwembad, de nabijgelegen waterplas met omkleedhokjes en het ‘cultureel centrum’ met bibliotheek, muziekschool, toneel, knutselruimte en bar. Tijdens het lezen van het boek Architectuur voor de vrijetijdscultuur. Culturele centra, zwembaden en recreatiedomeinen schoot mij in ieder geval de ene na de andere te binnen en dat verdeeld over de slechts twee woonplaatsen waar ik mijn jeugdjaren doorbracht.

Tegelijkertijd zijn het ruimtes die juist door hun intensieve gebruik en vaak saaie architectuur te vanzelfsprekend zijn om het verhaal er achter te kennen. Architectuur voor de vrijetijdscultuur brengt daar, in ieder geval wat Vlaanderen betreft, verandering in. Goed, de gebouwen in het boek zijn wat betreft architectuur niet bepaald saai te noemen, het zijn eerder de pareltjes uit een enorme hoeveelheid culturele centra, zwembaden en recreatiedomeinen. Toch is hun verhaal tot op heden nauwelijks bekend. En al snel blijkt dat de architectuur ook niet het meest interessante onderdeel van hun verhaal is. Natuurlijk, de strakke belijning van het zwembad in Genk en de halfronde vorm van het strandgebouw bij het Zilvermeer zijn prachtig, maar vallen in het niet bij de grootse ambities die er aan ten grondslag lagen.

Allereerst al de doelstelling waarmee het in de jaren zestig allemaal begon. Het ministerie van Nederlandse Cultuur wilde, onder leiding van Renaat van Elslande en later Frans van Mechelen, verspreid over Vlaanderen zoveel mogelijk voorzieningen voor cultuur en sport doen verrijzen. Deze voorzieningen dienden een tegenwicht te bieden tegen het oprukkende individualisme. De architectuur moest dan ook vooral ontmoeting mogelijk maken, of, zoals de burgemeester van Itterbeek het zo mooi verwoordde: ‘het gebouw wordt de katalysator tussen de mensen […] Het gebouw zal dan niet alleen aanleiding zijn tot symbiose tussen de cultuurvormen maar ook aanleiding geven tot symbiose binnen de maatschappij, tot een gemeenschap’.Op de achtergrond speelde ook de veiligstelling van de Vlaamse cultuur mee. Niet voor niets verrezen de meeste culturele centra rondom Brussel, waar ze de ‘verdere uitdeining van de Franstalige olievlek’ moesten voorkomen. Hoewel gemeenten zelf subsidieaanvragen moesten indienen en de rijksoverheid dus maar moest afwachten welke aanvragen binnenkwamen, was al spoedig duidelijk dat aanvragen uit de gemeenten rondom Brussel meer dan welkom waren. De rijksoverheid zag hier immers graag een ‘gordel van smaragden’, oftewel een gordel van de beste culturele centra, verrijzen. Zo kreeg de gemeente Itterbeek uiteindelijk de nodigde subsidies om een ‘diamant’ te realiseren: het door Alfons Hoppenbrouwers ontworpen grootse, rotsachtige volume met de naam Westrand.

Niet minder ambitieus was de gemeente Genk die in de jaren zestig door de komst van de Fordfabriek hoopte uit te groeien van een mijnstadje tot een volwassen stad, met alle voorzieningen van dien. Genk dacht daarbij zelf vooral aan een groot en vanuit de regio goed bereikbaar sportcentrum, met een zwembad van olympische (!) afmetingen, een voorrecht dat slechts drie zwembaden in Vlaanderen konden hebben. Hoewel het centrum uiteindelijk geen Olympische status kreeg, straalde de architectuur van Isia Isgour er niet minder om. Het in het oog springende hoge betonschalen dak maakte het zwembad tevens flexibel genoeg om later verschillende zwembadnoviteiten in op te nemen, zoals kronkelige glijbanen en tropische sferen.

Waar de zwembaden de Vlamingen gezonder, sportiever en uiteindelijk ook Vlaamser moesten maken, daar dienden de recreatiedomeinen feitelijk hetzelfde te doen, maar dan in een setting die ook nog eens de mogelijkheid moest bieden om ver van het stads- en arbeidsleven weer tot zichzelf te komen. Natuurlijk waren er ook particuliere kampeerterreinen en vakantieparken, maar die boden volgens verschillende provinciale overheden toch minder mogelijkheid tot rustige recreatie en daarmee tot ware ‘herschepping’. Hoe sterk deze gedachte doorwerkte in het ontwerp van architect Jozef Schellekens, bleek toen hij ontstemd reageerde op de komst van de voormalige Zoo-bar van het wereldtentoonstellingsterrein in Brussel naar het Zilvermeer: ‘een provinciaal domein mag geen foor [kermis, MD] worden waar alle architectuur is toegelaten’.

Het zijn vooral dit soort opvattingen over hoe de vrije tijd moest worden doorgebracht en tot wat voor architectuur dit moest leiden, die het boek Architectuur voor de vrijetijdscultuur zo interessant maken. Wat mij betreft zijn de bedenkingen van de inleiders over het hoe en waarom van de tweederangspositie van (deze) Vlaamse architectuur, dan ook onnodig. Veel belangrijker dan de architectonische kwaliteit is immers het verhaal dat deze voorzieningen vertellen over hoe een welvaartsstaat probeerde om de boel bij elkaar te houden. De case studies waarvoor Jannina Gosseye de archieven in dook, konden wat mij betreft dan ook niet beter.

Gemiste kans is dat het boek oogt als een uiterst serieus studieboek, volledig in zwart-wit, met een wat verstilde architectuurschets van het Leuvense zwembad op de voorkant. En dat terwijl er zoveel mooi (archief)materiaal tussenzit, dat bovendien de ontmoetingsfunctie zoveel beter weergeeft, zoals de poster van twee sportieve lijven in zwemkleding met op de achtergrond slechts de contouren van datzelfde Leuvense zwembad. Het zou zonde zijn als de interessante verhalen achter de culturele en sportieve voorzieningen door deze saaie vormgeving slechts bij een vakmatig geïnteresseerd publiek terechtkomen. Er zit zoveel meer in!