Feature —

Groeten uit Worpswede

Marlies Levels

Zomer 2010 ging Marlies Levels voor het eerst naar Worpswede, een dorp in de buurt van Bremen dat rond 1900 bekend stond als kunstenaarskolonie. Door toeval ontvouwde zich een netwerk aan namen en betrekkingen waarin ook Bruno Taut een aandeel in heeft. De laatste aflevering van dit seizoen van Groeten uit..

Tot dusver lag Worpswede in ’sluimertoestand’ in mijn kunsthistorische onderbewustzijn en associeerde ik het vooral met de kunstenares Paula Modersohn-Becker. Modersohn-Becker had er van 1897 tot 1907 met onderbrekingen gewoond totdat ze op eenendertigjarige leeftijd overleed. De ontstaansplek van haar werk te zien en ervaren, lijkt een goede aanleiding om naar Duitsland te reizen, al is er een eeuw voorbijgegaan. Dit primaire reisdoel wordt versterkt door mijn hang naar noordelijke romantiek waar het Duitse expressionisme schatplichtig aan is, en een kinderlijke verlangen naar het platteland. Al het overige laat ik aan mijn beste reisgenoot, het Toeval over.

Verleid door een foto van een prachtige oude boerderij in het groen met de geheimzinnige naam Haus im Schluh reserveer ik via internet een kamer in een pension. In de trein van Osnabrueck naar Bremen vind ik in een reistijdschrift met daarin een artikel over de mij tot dusver onbekende architect en beeldend kunstenaar Bernard Hoetger, die in Worpzwede woonde en werkte. Het verhaal blijkt een uitstekende introductie op de kunstenaarscultuur in Worpswede. Zo ontdek ik dat Hoetger, die zich pas in 1921 in Worpswede vestigt, Paula Modersohn Becker kent uit haar Parijse studiejaren. Vanaf nu begint zich een netwerk van namen en betrekkingen te ontvouwen rondom Worpswede. De reis breidt zich mentaal uit.

De dag na aankomst drink ik koffie in het door Bernard Hoetger gebouwde café Verrueckt. Een toepasselijke naam die het onvermogen (en humor) van de Worpswedenaren verraad om uit de chaos van hybride stijlelementen van Hoetgers architectuurstijl het bekende af te leiden. Kunstenaars en dorpelingen vormden twee cultuurkampen. Voor de Duitse architectuurgeschiedenis echter is Hoetger gewoon een ster-expressionist.  Zijn in 1927 gebouwde cafe/ontmoetingscentrum met tentoonstellingsruimte is nu ingericht met Hoetgers veelzijdige sculpturale werk, excentrieke meubels en keramiek.

Maar nog weer even terug naar mijn aankomst in Worpswede. De bus uit Bremen stopt bijna voor de deur van het woonhuis van Paula en Otto Modersohn. Het vaalgeel geschilderde houten woonhuis van het type cottage-stijl, is in de jaren ‘70 uitgebreid met een museum dat behalve Paula’s werk ook landschaps- en sociale genreschilderijen van drie generaties Worpswedese kunstenaars bezit. Via de schilderijen krijg ik een beeld van het vlakke, weidse moeraslandschap met zijn berkenbomen en bewoners. Zo moet dit land van Weser, Hamme, Wuemme en Worpe, moerassen, veenkanalen en dijkjes er begin twintigste eeuw uit hebben gezien. Als ik later het ommeland verken, kom ik de rode bakstenen boerderijen met blauw en rood vakwerk, de rieten kappen en de onheilwerende spreuken boven de Dieledeuren in het echt tegen.
 
Mijn pension Haus im Schluh (Schluh, nederduits voor Sumpf = moeras) voldoet in alle opzichten aan mijn verlangens. De weg erheen is ongeplaveid, de nacht stikdonker en stil, afgezien van de erbarmelijke roep van een ezel. De kamer is ingericht met een mix van boeren- en Jugendstilmeubels en originele etsen en tekeningen aan de wand. De volgende morgen vallen de schellen van mijn ogen: dit is het huis van Martha Vogeler-Schroeder, de eerste vrouw van de succesvolle Jugendstilkunstenaar Heinrich Vogeler. Ze betrok het na haar scheiding in 1920. Martha is prominent aanwezig in de ontbijtkamer op schilderijen en foto’s, achterkleindochter Daniela voorziet de gasten van koffie. De kamer ernaast fungeert als museum.

Diezelfde dag nog bezoek ik de Barkenhoff, de door Heinrich Vogeler tot burgerwoning verbouwde boerderij met formele tuin, waar hij samen met Martha woonde om er een waar ontmoetingcentrum en middelpunt van de kunstenaarskolonie van te maken. Otto Modersohn, Fritz Overbeck  en Hans am Ende logeerden er aanvankelijk alleen in de zomer, daarna trotseerden ze ook de barre winters. De Barkenhoff  is sinds de jaren ‘60 een  museum dat geheel aan Vogelers kunstenaarschap en leven is gewijd. Vogeler is in alle opzichten een Duitse equivalent van William Morris: een succesvol Jugendstilkunstenaar, kunstenaar/architect en vormgever, denker, pedagoog en schrijver. Evenals Morris bekeerde Vogeler zich tot het socialisme en maakte na de Eerste Wereldoorlog  – en de teloorgang van zijn huwelijk – van de Barkenhoff een werkcommune met als basis een boerenbedrijf.
Ik bezoek die dag ook nog het door hem en Alfred Schulze ontworpen stationsgebouw uit 1910, tegenwoordig een gerenommeerd restaurant. Het is helaas gesloten zodat ik het door Vogeler ontworpen interieur van de eerste- en tweedeklas wachtkamers (respectievelijk wit en bruin) door de ramen moet bekijken.
De enige folder die ik vrij terloops bij aankomst in Bremen bij de infobalie had weggegrist,  kondigde het toneelstuk Berge der Utopie-Kuenstler, Kolonien, Kommunen-Aufbrueche zwischen Weyerberg en Monte Verita aan, dat uitgerekend die avond op de Barkenhoff zou worden opgevoerd. Bepakt met kussens en dekens trotseer ik de koude op de kleine overdekte tribune van de Barkenhoff. Het toneelstuk is een eyeopener. De bonte parade van individuen (kunstenaars, socialisten, anarchisten, expressionistische dansers, vegetariërs en naturisten) maakt het complexe reformdenken voelbaar met zijn inherente spanning tussen ideaal en realiteit.

Op mijn laatste dag in Worpswede fiets ik naar Fischerhude en passeer onderweg in Westerwede toevallig het boerenstulpje van Rainer Maria Rilke en Clara Westhoff. Rilke (die graag in Russische kleding door Worpswede flaneerde) heeft er nauwelijks twee jaar gewoond. Worpswede met de kring rond Vogeler, maar ook zijn huwelijk bleken te benauwend voor de Wanderdichter lees ik na thuiskomst in de biografie over Rilke.  Fischerhude, Otto Modersohns woonplaats na het overlijden van Paula, heeft nu een museum gewijd aan zijn werk. Onthullend is de zaal waar Otto’s werk tegenover dat van zijn vrouw hangt. Beider werk bezit een poëtische kleurgevoeligheid maar de vaak overeenkomstige onderwerpen tonen een radicaal andere benadering: Otto´s liefde voor de uiterlijke schoonheid van de natuur staat tegenover Paula’s verinnerlijking.

Afgelopen zomer keerde ik terug naar Worpswede. Ik verdwaal op de Teufelsmoor, in de zwarte schepen met hun roodbruine zeilen die over de Hamme varen zie ik een levend schilderij van Mackensen, en bezoek de zogenaamde Käseglocke (1926), het woonhuis met tuinontwerp van de weinig succesvolle schrijver Edwin Koeneman. De naam typeert het onconventionele ontwerp: een rond huis met iglovormige kap. Volgens de Baugenehmigung is Koeneman de ontwerper, maar recent onderzoek wijst uit dat het om een plagiaat gaat van een niet uitgevoerd ontwerp van niemand minder dan Bruno Taut. Deze laatste publiceerde een jaar daarvoor de tekeningen van een afgekeurd ontwerp van een portiersloge in het architectuurtijdschrift Fruhlicht. Volgens de gids in de Käseglocke (nu folkloremuseum) kwam Taut vaak in Worpswede. Maar wat deed Taut in Worpswede? Thuisgekomen suggereert een vriend dat Taut daar wellicht op bezoek ging bij Leberecht Migge, landschapsarchitect en medewerker aan Tauts Berlijnse Siedlungen. In de Erinneringen van Wilhelm Hundt lees ik dat Migge door toedoen van Vogeler in 1921 naar Worpswede kwam, dat hun samenwerking uiteindelijk strandde, en dat hij daarna zijn eigen agrarische arbeidsgemeenschap, der Sonnenhof stichtte.

In 2012 wordt de 140 ste geboortedag en 70ste sterfdag van Heinrich Vogeler herdacht en vind er een opvoering plaats van Heinrich Eduadowitsch – Archeologie eines Traums, een theaterstuk over de levenswandel van Heinrich Vogeler. Volgend jaar ga ik weer naar Worpswede.