Feature —

Verbreed vakmanschap in de stedenbouw?

Chris van Langen

Als er al een crisis in de stedenbouw is, dan is het een crisis van het samen optrekken. De werkconferentie Verbreed Vakmanschap voegde zich in een rij bijeenkomsten waar juist dat duidelijk werd. Telkens wordt de crisis in de stedenbouw geagendeerd. En steeds weer beperkt het gesprek zich tot het uitwisselen van standpunten. Maar de bereidheid om het standpunt van de ander te verstaan, lijkt te ontbreken. Laat staan dat er enige aandrang is om met elkaar een volgende stap te zetten. En dat is heel jammer.

De werkconferentie Verbreed vakmanschap vond plaats in de Koekfabriek in Zaandam, een voorbeeld van veranderkracht. foto: Sarah Vermoolen
De werkconferentie Verbreed vakmanschap vond plaats in de Koekfabriek in Zaandam, een voorbeeld van veranderkracht. foto: Sarah Vermoolen

De werkconferentie Verbreed vakmanschap die op 10 oktober 2011 plaats vond, is onderdeel van het programma Stedenbouw als veranderkracht dat georganiseerd wordt door Trancity, AIR, Enno Zuidema Stedebouw en De Beuk Organisatieadvies. Doel van de bijeenkomst was om met de deelnemers de contouren van een nieuw vakmanschap in de stedenbouw te agenderen en te verkennen.

Goed begin
De dag begon hoopgevend met een lezing van Geert Teisman, hoogleraar Bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Volgens Teisman is het probleem dat de stedenbouwkundige discipline niet in staat blijkt productief te acteren binnen de huidige, uiterst complexe condities. Ze werkt namelijk nog volgens de logica van “de wereld van één: van één besluit, één plan, één machtige partij”. Die wereld bestaat echter niet meer. De huidige werkelijkheid is veeleer te duiden als “de wereld van méér: een niet-lineaire, niet-beheersbare, niet-kenbare, kernloze, niet mechanisch georganiseerde werkelijkheid zonder bedoeling en/of doel”. Het stedenbouwkundig handelen zal daarop geënt moeten worden. De stedenbouwkundige zal zichzelf als 'secundaire integrator' moeten positioneren. Het primaat ligt niet bij de stedenbouw, maar bij de, in een netwerk van actoren oplichtende, kristallisatiepunten van ontwikkeling die de stedenbouwkundige moet zien te herkennen, synchroniseren en combineren.
Deze oproep tot een bescheiden, maar uitgesproken bijdrage van de stedenbouw aan de vraagstukken binnen een complexe werkelijkheid vormde een mooi startpunt voor een gesprek over de toekomst van de stedenbouw. De daarop volgende bijdragen van Miranda Reitsma en Matthijs Bouw deden een poging de abstractie van Teismans vertelling aan de dagelijkse stedenbouwkundige praktijk te verbinden. Een lastige stap, maar, met de door Bouw toegelichte strategieën om ruimte, organisatie en geld vooraan in het proces met elkaar te verbinden, zeker voorstelbaar.

Belabberd einde
Na het veelbelovende begin ging het echter mis. Het vervolg bestond uit een drietal rondes van gesprekken rond een vijftal interessante thema’s: ‘gedeeld leren’, ‘ontwerpen als verbinden en vertalen’, ‘de stad is van iedereen’, ‘ontwerpen op drie niveaus’ en ‘de veranderde opgave’. Deze thema’s waren ontleend aan het van te voren verspreide essay Teken voor de verandering van Arie Lengkeek (AIR), Dorien de Wit (De Beuk) en Enno Zuidema. Helaas namen de organisatoren niet de moeite de in het essay genoteerde standpunten over de thema’s als expliciet uitgangspunt te nemen. Met als gevolg een vijftiental gezellige uitwisselingen van nogal ongerichte gedachten.
Dat had natuurlijk gecompenseerd kunnen worden in het slotakkoord van de werkconferentie. Daarin zouden De Wit en Zuidema, zo beloofde het programma, de kernpunten van het ‘verbreed vakmanschap’ op een rij zetten. Ze kwamen echter niet verder dan een opsomming van uit de gesprekken gedestilleerde gedachten. Daar zaten zeker relevante noties bij, variërend van: “We moeten de nieuwe rol van de stedenbouwkundige vooral gaan oefenen”, een oproep tot openheid en het delen van kennis tot, “Wij zijn als stedenbouwkundigen te lui geweest: we moeten op zoek naar de vraag”, tot het besef dat de wens de gebruiker centraal te stellen nog niet gepaard gaat met de vaardigheid om dat te doen.

Problematisch was echter dat Zuidema en De Wit weigerden dergelijke noties expliciet te verbinden met wat ze zelf in het essay genoteerd hebben. Met als pijnlijk dieptepunt de omarming van een oproep tot openheid en delen van kennis, direct gevolgd door de mededeling dat de resultaten van de dag terug zouden komen in het volgende onderdeel van het programma: de leergang. Het zal de deelnemers aan de werkconferentie vreemd te moede geweest zijn om te constateren dat ze €195,- betaald hebben om input te leveren voor een leergang waar ze, na betaling van €4.000,-, de doordenking van hun eigen bijdrage mogen vernemen.

Maar het smaakt naar meer
Hoewel ik me er terdege bewust van ben dat dit soort bijeenkomsten vaak teleurstellen, is het opnieuw jammer. En dan vooral omdat er in het essay Teken voor de verandering wel degelijk zinnige aanknopingspunten voor de doorontwikkeling van de stedenbouwkundige discipline te vinden zijn.
De oproep om proces en ontwerp hechter te verbinden, is niet nieuw, maar blijft relevant. Het wordt tijd voor de volgende stap: invulling geven aan die oproep en dan met name aan de bijdrage van het ontwerp aan het proces. Zo is ook de kanttekening die in het essay geplaatst wordt bij het belang van het auteurschap, in een tijd waar meer en meer gevraagd wordt om co-auteurschap, niet nieuw en van blijvend belang – en ze past ook naadloos in het door Teisman genoteerde rol als ‘secundaire integrator’. Ook hier geldt het verlangen naar het vervolg: wat betekent het voor het stedenbouwkundig handelen en ontwerpinstrumentarium?

Een derde relevante notie is de ook in de werkconferentie aan de orde gestelde idee van “… drie niveaus van ontwerpen”. Het lijkt daarbij te gaan om het ontwerpen 1) op basis van de specifieke opgave, 2) aan de achter de opgave liggende orden en systemen en 3) van de opgave zelf. Ik ben er ook van overtuigd dat de stedenbouw een relevante bijdrage kan en moet leveren aan het tegemoet treden van de actuele maatschappelijke kwesties door op die verschillende ‘niveaus’ te acteren. Maar hoe kan een dergelijk ontwerpend handelen vorm krijgen? Welk bestaand ontwerpinstrumentarium kan daarvoor worden ingezet? Welk nieuw instrumentarium moet daarvoor worden ontwikkeld?
Wordt hopelijk vervolgd door een echt gesprek!