Opinie —

Weg met ‘de eindgebruiker’

Piet Vollaard

Woorden komen en woorden gaan. Uiteindelijk voeren ook de woorden een Darwinistische strijd om het bestaan. Alleen de echte, zinvolle en rijke woorden overleven. De rest is mode, leuk voor een tijdje, maar niet voor de lange duur. ‘Eindgebruiker’ is zo’n modewoord. Misschien is het gebruik al weer op zijn retour, maar het kan geen kwaad om de taalnatuur een handje te helpen en een opkomend woord uit taalhygiënische overwegingen het genadeschot te geven.

De sloper als ultieme ' eindgebruiker' (illustratie de sloopconcurrent)
De sloper als ultieme ‘ eindgebruiker’ (illustratie de sloopconcurrent)

Eindgebruiker. Proef het woord even: eind-ge-brui-ker. Onlangs las ik het weer eens in een citaat van een architect die, zo bleek uit de rest van de tekst, bedoelde te zeggen dat het hem bij het ontwerpen behalve om functionaliteit ook gaat om het comfort en welbevinden van de mensen die in zijn gebouwen wonen en werken. Een nobel streven, maar als ik dat woord eindgebruiker lees, dan krijg ik lichte rillingen. Het is een armzalig, lelijk woord, en mijn idee van zuiver woordgebruik heeft de onweerstaanbare neiging om het begrip letterlijk te nemen. Wat wordt er eigenlijk bedoeld met die ‘eindgebruiker’,  welke betekenissen en associaties liggen in het woord verscholen?

Het gebruik van het woord ‘gebruiker’ is de laatste tijd onder architecten, architectuurbeschouwers  en opdrachtgevers in zwang geraakt. Kennelijk als reactie op een architectuur die zich primair richt op het beeld, en vanuit de gedachte dat het in de architectuur niet in de eerste plaats gaat om beleving of esthetiek, maar om het gebruik. Daar valt iets voor te zeggen, maar het woord ‘gebruiker’ sluit alle andere associaties die met architectuur samenhangen uit. Behalve functie en gebruik gaat het ook om beleving van ruimte en materiaal, om een gevoel van ‘thuis zijn’ en jawel, om schoonheid. Een gebruiker lijkt zich van deze gevoelszaken weinig aan te trekken en een architect die zich op de gebruiker beroept evenmin.
Maar dan dat voorvoegsel ‘eind-‘. Hoezo ‘eind’ -gebruiker? Zijn er nog tussengebruikers dan? De bouwvakker die stiekem een uiltje knapt in de halfafgebouwde slaapkamer? Wordt met die eindgebruiker misschien de allerlaatste bewoner bedoeld en richt de architect die zegt te ontwerpen met de eindgebruiker voor ogen, zich op die laatste genietmomenten van een gebouw dat rijp is voor de sloop? Of is de sloper zelf de echte eindgebruiker? Maar dan zou de ontwerper die zich zegt te richten op de eindgebruiker ‘sloopgericht’ moeten ontwerpen. Dat lijkt mij overigens helemaal niet zo dom, uiteindelijk is de enige zekerheid van 99.9% van de gebouwde voorraad dat het ooit weer gesloopt wordt.
Waarschijnlijker is het dat met dat voorvoegsel het eind van het ontwerpproces wordt bedoeld, het moment waarop het gebouw in gebruik wordt genomen. Maar dan zou begingebruiker een betere benaming zijn. In dat geval zou de architect zich overigens niet lijken te bekommeren om de vervolggebruikers. Dat kan ook niet de bedoeling zijn, dus weg met dat voorvoegsel ‘eind’.

Resteert het tot louter functie beperkende ‘gebruiker’. Ik snap ook wel dat deze woorden in het dagelijkse spraakgebruik komen en gaan. Nog niet zo lang geleden was ‘woonconsument’ ook zo in de mode. Dat is gelukkig alweer voorbij. Het leuke van de taal is de permanente ontwikkeling die samenhangt met maatschappelijke en culturele veranderingen. Daar is niets mis mee. Een taal die zich niet ontwikkeld, is een dode taal. Maar toch, soms zijn oude woorden veel rijker dan nieuwe. Het is jammer dat ‘bewoner’ vooral slaat op de woning en niet ook op de plaatsen waar we werken en recreëren. Juist in die werk- en recreatieomgevingen brengen we immers het grootste gedeelte van onze bewust beleefde tijd door (NB: voor veel mensen benadert ‘beslaper’ de duur van de hoofdactiviteit die in de woning plaats vind misschien beter dan ‘ bewoner’) . Het begrip ‘wonen’ sluit in elk geval het gebruik in, maar is daarnaast rijk aan andere emoties, associaties en tradities. Als het om een woning gaat kan ‘gebruiker’ dus beter worden vervangen door ‘bewoner’, behalve als het puur en alleen om functie en gebruik gaat.
Maar wat te doen als het om meer dan de woning gaat, om architectuur in het algemeen? Beleven als werkwoord zou mooi zijn. Uiteindelijk is het doel van architectuur immers het scheppen van een omgeving waarin geleefd kan worden, ofwel een achtergrond waartegen het leven zich afspeelt. Meer nog dan bewonen sluit beleven alle activiteiten, associaties, ervaringen en gevoelens in. Maar ja, het daarvan afgeleide ‘belever’ is ook geen lekker woord. Het lijkt teveel op believer, en gelovigen zouden mijns inziens wel de laatsten moeten zijn waar een architect zich op moet richten.
De zaak is wat dat betreft nog open.

Suggesties zijn welkom, ook voor mogelijk andere woordkandidaten uit het architectuurjargon die voor het taalhygiënische vuurpeloton in aanmerking komen.