Nieuws —

Herbestemming plus: het nieuwe WORM

Erik Stekelenburg

2012Architecten, Atelier van Lieshout en anderen gaven cultuurcentrum WORM een plek in een 19e-eeuws pand aan de culturele as van Rotterdam. De herbestemming ging verder dan het gebouw. Dansen op bureaus, films kijken in een vliegtuig, rijdend drinken, naar het toilet in een vloeistofcontainer en werken in iets als een verlaten kerncentrale. Dat is de normale gang van zaken in het op 28 oktober geopende ‘instituut voor avantgardistische recreatie’ WORM.

Witte de Withstraat 63 werd in 1874 gebouwd voor de redactie van de NRC. In 1993 werd het pand betrokken door verschillende Rotterdamse culturele instituten. WORM zetelt nu in het gedeelte van het al weer naar Las Palmas verhuisde Nederlands Fotomuseum, een langwerpig deel op de hoek van de Witte de With- en de Boomgaardsstraat. De kop ligt aan de Witte de Withstraat.  Daar zit ook een ingang.
Maar het programma van een dergelijke pijpenlade wordt het best halverwege ontsloten, een stuk de Boomgaardsstraat in. Hier, op nummer 71, is voor de entreehal een hap uit de zijkant van het gebouw genomen. Een hap van 10 meter diep, 6 meter breed en twee bouwlagen hoog: souterrain en bel-etage. Behalve de verdiepingsvloer wijkt ook de dragende vloerbalk tussen de twee centrale kolommen, de consoles zitten er nog, ze dienen als tafeltje.
Het stuk uit de gevel is steentje voor steentje twee meter uit de rooilijn opnieuw opgebouwd. Voor de vergunning is het apart, als kunstwerk behandeld. De hal verbindt, toont en ontsluit de diverse functies. Links in het souterrain de winkel, foyer en bar, aan de andere kant op beide verdiepingen kantoren en studio’s met de film/concertzaal op de bel-etage. Tussen bijna alle ruimtes zitten vensters. Medewerkers en publiek staan met elkaar in contact. De lichtgevende toiletten van omgebouwde vloeistofcontainers naar het ontwerp van Marc Heumer zijn slechts door de open trap in de hal gescheiden van de foyer.

Juist toen de archiefkasten van het fotomuseum werden gedemonteerd voor de schroothoop verkende architect Césare Peeren de locatie. Hij wist meteen: die gaan we gebruiken. Anders gebruiken. De 4 meter lange archiefkasten zijn in de winkel bijna ongewijzigd hergebruikt als rollende winkelschappen. In de foyer zijn de kasten gestript en de onderframes gedemonteerd tot op de basislengte van 2m. Op de rijdende chassis zijn met nieuwe stalen frames zitplekken gemaakt bekleed met het bekende assenhout van kabelhaspels. De wielen om de archiefkasten te verplaatsen solliciteren ernaar om te worden gebruikt. Nu verplaatsen de wielen de ziteenheden; je kunt mensen koppelen dan wel laten crashen.
De vloerafwerking en lambrisering moesten voor de eenheid van de publieksruimtes zorgen. De vloerbedekking bestaat uit bureaubladen naar ontwerp van Friso Kramer. De witte Trespa-bureaubladen uit het Fortis kantoor in Amsterdam moesten worden gezandstraald tegen uitglijden. Een deel van de witte toplaag is gehandhaafd als patroon. Een esthetische daad die we eigenlijk niet van deze architect kennen. Het patroon herhaalt de vorm van de bureaubladen in het klein, als bij het Droste-effect. De lambrisering kreeg hetzelfde patroon, maar het materiaal komt van de kluisjes van het Rotterdamse zwembad Tropicana. Wellicht levert de zandstraalbehandeling niet het meest energiearme product, maar de vloerbedekking past zo goed bij een concertvloer dat herhaling bij andere projecten voor de hand ligt.

Echoën de vorige materialen het voormalig gebruik nauwelijks, de aeronautische afkomst van de andere materialen in de filmzaal ligt er dik bovenop. Toch zijn de materialen om hun (multi)functionaliteit gekozen. De vliegtuigstoelen om hun comfort om naar een film te kijken. De gevensterde vliegtuigwandpanelen om hun holling voor de verdeling van het geluid, om hun raamopeningen voor luchtafvoer en led-armaturen en om hun brandveiligheid. De afwerking bleef ongemoeid.
De kantoren liggen aan de gevel, gunstig voor zowel de toetreding van het daglicht als de geluidwering tussen concertzaal en straat. De kantoren, de aangrenzende kassa/entree en geluidsstudio’s zijn grotendeels ontworpen en uitgevoerd door Atelier van Lieshout (AVL). De ruimten van zware roestende stalen platen vormen niet alleen letterlijk een barrière tegen de geluidsoverdracht van de zaal naar de straat en de kantoren, maar ook een figuurlijke veste. Een verschansing, gemaakt uit de residuen van het verval dat al in de maatschappij aanwezig is. De ontwerper verwijst met de gebruikte materialen naar een grimmige toekomst waarin dergelijke materialen de enig voorhanden bouwmaterialen zijn. De ontwerper noemt de ruimten een schuilplaats tegen mogelijke degeneratie en een observatiepunt van een nieuw soort beschaving, misschien wel een die het onheil toch nog weet af te wenden. Van Lieshout omschrijft de bijbehorende primitieve bouw van de fortificatie als op Siberische wijze in elkaar geramd schroot. De materialen zijn ruwe beschadigde rijplaten en resten van overbodige bruggen, schepen en machines; staal en gebruikt glas.

Beide ontwerpers herbestemmen de bebouwing maar ook tweedehands producten voor een andere toepassing dan de oorspronkelijke. Het contrast is interessant. AVL kiest een verhaal en daaruit volgt het materiaal. De conventionele werkwijze zorgt ondanks de rauwheid van het materiaal voor een vertrouwde uniformiteit. De kunstenaar doet geen moeite om het afval er anders of als nieuw uit te laten zien maar ontleedt het wel zo dat je de herkomst slecht kunt aflezen. 2012Architecten kiest materiaal en laat het verhaal aan de bezoeker. Ondanks de nagestreefde eenheid zorgt de verschillende herkomst van de materialen voor een mogelijk verwarrende pluriformiteit. Het is wel didactisch. De transformatie naar iets totaal nieuws verhult de wortels niet. Integendeel, supergebruik delft latente kwaliteiten. Het toefje op de pudding is wel het winnen van de verborgen kwaliteiten van het fotoarchief; herbestemming van gebouw en product ineen.