Recensie —

MärklinWorld

Stefaan Vervoort

De maquette is alomtegenwoordig binnen de hedendaagse kunst. Recente groepstentoonstellingen als Architektonika in het Berlijnse Hamburger Bahnhof en thematische publicaties als OASE 84: Models/Maquettes demonstreren een toenemende interesse voor het architectuurmodel als gedeeld object binnen architectuur en de kunsten en formuleren hun opzet dan ook vanuit een kunsthistorisch en/of theoretisch onderzoek. Ook de expositie Märklinworld. Modellen van de wereld door 40 kunstenaars in het Amersfoortse KAdE speelt in op deze trend, zij het heel vrijblijvend.

Vanuit de romantische blik van de hobbyist, wiens zolderkamer vol Märklin-modelspoorbanen steevast ontpopt tot een “eigen gecreërde, vaak nostalgische wereld,” gaf curator Robert Roos acht kunstenaars de opdracht voor het maken van “kunstwerken die refereren aan de werkelijkheid en tegelijkertijd spelen met de onechtheid daarvan.” Aangevuld met   een wat bonte agglomeratie hedendaagse sculpturen, foto’s en films op de twee hoger gelegen tentoonstellingsvloeren, staan de acht installaties op de begane grond als eilanden in een zaal. Een modeltrein-met-camera die de blik van de lilliputter streamt op een drieledige videoprojectie vormt het behang.

Een aantal werken in de tentoonstelling, voornamelijk diegene gemaakt op commissie, verschaffen interessante inzichten in de disciplinaire, culturele, of cognitief-psychologische conventies van de maquette. Meesterlijk is Krijn de Konings (non)buildings and monuments (2011), waar verschillende schaalmodellen van de kunstenaar, gemonteerd op en rond een Fischer Price kookmodule, een kleurrijke en haast psychedelische speelgoed-wereld laten ontstaan. Interessant hierbij is dat de Koning niet zozeer een nieuwe installatie, maar de praktijk toont waarin de kunstenaar denklijnen uitzet voor zijn projecten op grote schaal. Hoewel het werk van De Koning vaak wordt gelinkt aan de post-studio kunst van Daniel Buren, is ook in KAdE sprake van een ‘pre-productie’: een artistiek stadium waarin objecten en vormen geconcipieerd worden voordat ze een relatie aangaan met de context en de randvoorwaarden van hun openbaarheid. Het is deze ongedwongen conceptiefase geassocieerd met het architectuurmodel die De Koning toont, en die in contrast staat tot de kritische ernst en abstracte cool van zijn ‘echte’ werk.

De ongetitelde installatie van Leonid Tsvetkov en het wat wolligere fict | fact | fiction | factory | FICTIORY | factitious | fictitious (2011) van Ante Timmermans linken de maquette als object aan het communicatietijdperk. De installatie van Tsvetkov bestaat uit een collage van afgedankte moederborden en computerchips die samenklitten tot één obscuur, pseudo-digitaal masterplan, terwijl het werk van Timmermans een duistere netwerkstad van bandrecorders, filmspoelen en elektrische bekabeling toont, met een knipoog naar de Euro-palet skulpturen van Martin Kippenberger. Beide werken verbinden een formeel, ‘analoog’ schaalmodel aan de codificatie en virtualisering van het digitale era, of wat cultuurtheoretici als Jean Baudrillard en Vilém Flusser ‘miniaturisatie’ of ‘modellering’ noemden. Ze tonen hoe de maquette, net zoals de PC-chips en filmlinten, nooit integraal samenvalt met de werkelijkheid, maar steeds afstand creert. Ondanks haar mimetische en ruimtelijke karakter blijft het architectuurmodel intrinsiek een representatieobject: ze produceert steeds een beeldfase en is daarin minstens even complex als de film, de foto, of de virtuele interface.   

Het psychologische aspect van controle en macht wordt ten slotte aanschouwelijk gemaakt in de verzameling huizen, kerken, kantoren en bankgebouwen van de Oostenrijkse verzekeringsagent Peter Fritz, geapproprieerd door Oliver Croy en Oliver Elser (Sondermodelle, 1993-2008). De maquettes van karton, behang, tijdschriften en plakband die Fritz gedurende tien jaar bouwde, zijn losjes gebaseerd op de dia’s die hij maakte tijdens  zijn reizen door de Oostenrijkse Alpen: kleurige herbergen, neo-klassieke kerken en protserige appartementsblokken vormen een (verzonnen) dwarsdoorsnede van zijn leefomgeving. Terwijl de hobbyist zich eender welke wereld kon boetseren – een futurisch-utopische planeet bijvoorbeeld – koos hij bewust voor de kneuterige arts-en-craftsarchitectuur van de stube, verwerkt en gecomponeerd tot zijn eigen ‘ontwerp’. De verzameling van kleine huisjes demonstreert hier de cognitieve realiteit eigen aan de maquette: de aanspraak die zij kan maken op het alledaagse en de kracht die daarin besloten ligt. Via het schaalmodel was Fritz immers niet langer de passieve toeschouwer van zijn eigen wereld: hier kon hij zijn omgeving approprieren, eigen maken, en naar believen manipuleren.

Hoewel deze hoogtepuntjes in de tentoonstelling licht werpen op het object maquette, is MärklinWorld door curatoriële laksheid en artistieke oppervlakkigheid vooral een tentoonstelling van  gemiste kansen. De maquette als complex representatieobject dat zich inschrijft in de genealogie van sculptuur, of  het al even complexe register van de architectuur aanspreekt, wordt grosso modo genivelleerd tot een illusionair truukje, een ‘spel’ tussen fictie en non-fictie. Overduidelijk wordt dit wanneer  Roos het soms wel erg vlakke en zelfs bedenkelijke werk (Oliver Boberg, Maurice van Tellingen, Willem van den Hoed, Martin Luijendijk!, Otobong Nkanga!) gewichtig probeert te maken via meer gerenommeerde namen als Michaël Borremans, Thomas Struth of James Casabere. Waar de Berlijnse expo Architektonika de échte pioniers van de maquette-kunst laat opdraven met hele ensembles van onder meer Dan Graham, Thomas Schütte, Absalon en Hermann Pitz, wordt bij MärklinWorld historische aansluiting  gemaakt via een neo-surrealistische schilder, een fotograaf pur sang, en een B-product uit de Californische Pictures-stal. Voor een instituut dat tijd en moeite spendeert aan de productie van een groep frisse en inzichtelijke maquette-installaties, is een dergelijk randprogramma gemakzuchtig en bovenal ondermaats.