Feature —

Bij de Marine

Tijs van den Boomen

Driehonderd mensen hebben zich op deze decemberavond verzameld voor de poorten van het Marineterrein in Amsterdam, zij zijn de gelukkigen die zich op tijd hebben aangemeld voor een rondleiding door deze geheimzinnig enclave in het hart van de stad. Vierhonderd anderen moesten worden teleurgesteld. Dat het donker is en je dus nauwelijks iets ziet, lijkt niemand te deren. Dat het koud en nat is evenmin. Eindelijk kunnen we een blik werpen op het terrein dat op Google Maps weliswaar gewoon zichtbaar lijkt, maar dat bij verder inzoomen wazig blijft. Militair geheim.

Misschien wordt het terrein binnenkort een gewoon stuk van de stad, nu het Ministerie van Defensie, gedwongen door bezuinigen, overweegt het terrein te verkopen. Overwéégt, want officieel staat het nog niet te koop, er worden slechts eerste, verkennende gesprekken met de gemeente Amsterdam gevoerd. Geldgebrek is de enige reden voor deze toenadering, want voor de marine is dit ‘heilige grond’: hier werd in de zeventiende eeuw de oorlogsvloot gebouwd die de VOC-schepen beschermde bij hun wereldwijde handel, van hieruit werden de Engelse Zeeoorlogen gevoerd. Het vergt niet veel overdrijving om dit gebied van vijftien hectare te zien als de bakermat van Nederland.

Maar wie zeventiende-eeuwse voorstellingen koestert, komt bedrogen uit. Want uit die tijd resteert alleen het Poortgebouw en dat is nou net het enige pand dat je vanaf de straat gewoon kunt zien. Verder staat er nog een pand uit de vroege twintigste eeuw – het gebouw van de Nationale Reserve – en daarmee heb je de historie wel zo ongeveer gehad. Goed, het onlangs gerenoveerde Scheepvaartmuseum is er ook nog – in 1656 gebouwd als ’s Lands Zeemagazijn –, maar dat ligt net buiten het terrein.

En dus lopen we, in de druilende regen, over een complex dat het midden houdt tussen een enigszins onderkomen bedrijventerrein en een campus uit de jaren zestig. Veel groen, kantoorgebouwen (waarvan er een is dichtgetimmerd), een sportveld, een congrescentrum, plexiglazen fietsenstallingen, een klein tankstation en vooral veel parkeerplaatsen. Alleen het zicht op het stadscentrum, dat ons aan alle kanten omringt, zorgt ervoor dat je je bewust bent van de geweldige potentie van dit gebied. Dit is het kasteel van Doornroosje.

De rondleiding is het opwarmertje voor het debat dat Arcam in het congrescentrum heeft georganiseerd. Een deel van de nieuwsgierigen is dan al afgehaakt, blijkbaar ging het hun er vooral om het terrein met eigen ogen te aanschouwen. Toch is het een interessante line up die Felix Rottenberg presenteert. Zo schetst Esther Agricola, hoofd Bureau Monumenten en Archeologie, hoe het terrein tijdens de vierde stadsuitleg ontstond, hoe het eind negentiende eeuw door het Centraal Station definitief werd afgesneden van het IJ en hoe de bouw van de IJtunnel er eind jaren zestig een flink stuk van opslokte. Het monumentale Marinepaleis werd toen eenvoudigweg opgeblazen, het stond ongeveer op de plek van de blob die Arcam huisvest. Monumenten in enge zin telt het terrein niet veel, maar daar staat de historische continuïteit van de enclave tegenover, het is een van de zeldzame complexen in de stad die al eeuwenlang dezelfde functie heeft. ‘Ga rustig en langzaam te werk,’ luidt haar advies.

Aan Liesbeth van der Pol zijn deze woorden niet besteed. De voormalige Rijksbouwmeester kent het terrein goed: zij bouwde aan de oostkant ervan ‘Het Behouden Huis’, het langgerekte, met titanium beklede depot van het Scheepvaartmuseum. Geheimzinnigheid en historie zijn volgens haar de kernkwaliteiten van het Marineterrein en die moet je koesteren en er tegelijk offensief mee om springen. ‘Waarom moet het toch altijd langzaam en klein? Nederland is hartstikke goed in stedenbouw en in Amsterdam hebben we de afgelopen decennia veel moois bereikt. We moeten er een metropolitane plek van maken, waar iedereen welkom is.’

Ton Schaap – door Rottenberg aangekondigd als de hoofdstedelijke grootmeester van de stedenbouw – begint rustig: ‘Het belangrijkste nu is om de prijs te drukken, want voor het Shellterrein aan de overkant van het IJ hebben we zoveel betaald dat het vol appartementen moet worden gezet.’ Maar al snel kan hij zijn enthousiasme niet de baas. ‘Het is een paradijselijke plek en het zou een geweldig gebaar van Defensie zijn als ze het openstellen en aan de westkant met een bruggetje ontsluiten.’ Vervolgens wil hij er bescheiden hoogbouw – ‘een meter of 45’ – aan toevoegen om de relatie met de Piet Heinkade, aan de noordzijde van de spoordijk, te herstellen.
Duco Stadig, die twaalf jaar wethouder Ruimtelijke Ordening van Amsterdam was, tempert de luchtfietserij. ‘Als je het hek opengooit, heb je al heel wat gewonnen. Vervolgens kijk je welke gebouwen Defensie wil afstoten en hoe je die kunt herbestemmen. Langzaam, stapje voor stapje.’

Er komen die avond uit de zaal nog veel meer ideeën – variërend van een 24-uurs uitgaansplek tot een moestuin voor de stad en van een centrum voor duurzaamheid tot een jachthaven – maar voorlopig is Defensie nog niet weg. ‘Wat gaat u de minister na vanavond vertellen?’ wil Rottenberg aan het einde weten van Bert Kwast, de ‘vastgoedprins van Defensie’. Kwast houdt de kaarten voor zijn borst: Amsterdam moet eerst maar eens met een voorstel komen. ‘Als we er niet uitkomen, dan gaat bij de Marine de champagne open, zo sterk zijn we aan deze plek gehecht.’
Ook Van Poelgeest – de huidige wethouder ruimtelijke ordening, die door Rottenberg consequent als ‘schepen’ wordt aangesproken – is voorzichtig in zijn conclusies: ‘We gaan verder met de verkennende gesprekken met Defensie. Een abrupte cesuur is helemaal niet nodig, juist in een blijvende verweving van stad en marine ligt een grote kans.’ En zo wordt om de financiële hete brei heen gedraaid.
Voorlopig verandert er niets op het Marineterrein en blijft de poort gewoon op slot. En misschien is dat helemaal niet erg, want zo blijft de geheimzinnigheid bewaard en vooral: zo houdt Amsterdam nog één stukje over dat niet helemaal af is. Een stad kan niet zonder dromen.