Feature —

Grensgeval

Lara Voerman

Degenen die bekend zijn met het fenomeen Tom Matton weten dat een Matton-lezing een onemanshow is. Wonderlijk genoeg is de uitgesproken Matton door architectuurcentrum Makeblijde gevraagd voor een duolezing. Mattons medespreker is Eric-Jan Pleijster van LOLA landscape architects.

Onder de noemer ‘Over de Grens’ organiseert Makeblijde in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur (NVTL) een serie van vijf lezingen over de rol en betekenis van de 'grens' binnen de hedendaagse landschapsarchitectuur. Het onderwerp van deze bijeenkomst is stad en land. Ton Matton (Matton Office) is de eerste spreker. Hij studeerde stedenbouw aan de TU Delft, was een van de medeoprichters van kunstenaarsnetwerk Schie 2.0 en verhuisde in 2001 als zelfbenoemd 'Vinexvluchteling' naar Mecklenburg Vorpommern in voormalig Oost Duitsland om daar  Werkstatt Wendorff te stichten: een academie en uitvalsbasis voor kunstenaars in één.
Mattons projecten hebben 'een boodschap' en kenmerken zich door alternatieve, conceptuele manieren van denken over ruimtelijk ordenen. Zijn ongenoegen over de regelcultuur in Nederland toont Matton aan de hand van een aantal van zijn Vinexprojecten. Zo ontwierp hij voor de 16.000 woningen tellende Vinexwijk Park Lingezegen bij Arnhem de Ei-pod, een vogelhuisje voor de bedreigde grauwe vliegenvanger. De aanleiding voor het ontwerp was een prijsvraag die de gemeente uitschreef om het parkgebied tussen Arnhem en Nijmegen – bij de bouw van Park Lingezegen juist ingezet als unique selling point – meer het karakter van een park mee te geven. Dit rook naar bedrog, aldus Matton, en met een Ei-pod aan elke van de 16.000 gevels kregen de bewoners waar ze voor betaald hadden: een heus park op hun stoep.

De oplettende lezer zoekt ondertussen tevergeefs naar het thema grens. Dit thema, of wat dat betreft elk ander thema, is niet aan Matton besteed. Als er al een grens bespreekbaar is, is dat volgens Matton een morele; een die we ongemerkt zijn overschreden. Niemand uit het publiek kan met zekerheid zeggen dat ze kleding draagt die niet door kindslaven gemaakt is – behalve Matton zelf natuurlijk in zijn tweedehands pak en overhemd gerepareerd met Malinese lapjes. En met de voortschrijdende klimaatverandering eten we over twintig jaar in Noord Europa enkel nog bananen, zwarte bonen en cactussaus. Matton bouwde daarom klimaatmachines voor bananenbomen en cactussen zodat deze – totdat het zover is – rustig kunnen wennen aan hun plek op dit halfrond. Mattons boodschap voor de landschapsarchitect van nu in een notendop: breek los van de bureaucratie, neem je eigen verantwoordelijkheid, plant meer bomen en maak projecten die er toe doen. ’De laatste dia is een 'moral balance sheet'. Zijn presentatie kostte 55 watt voor drie uur computergebruik, 79.006 gr CO2 uitstoot om  met auto en trein vanuit Duitsland naar Makeblijde te komen en terug te rijden, etc, etc. etc. Gelukkig kan Matton door 500 berkenbomen te planten en het gebruik van zonnepanelen de schade iets beperken tot 78.000 gr CO2 uitstoot. Nu ontbreekt het een groot gedeelte van het publiek aan een plek voor 500 bomen, waardoor we in de pauze oprecht spijt hebben als we de wc doortrekken (zes liter drinkbaar water?) en een tweede papieren handdoekje pakken (1/57 boom?). 

Netjes, maar zeer onfortuinlijk, houdt tweede spreker Eric-Jan Pleijster van het veelgevraagde en als progressief te boek staande landschapsbureau LOLA, zich wèl aan het thema. Hij presenteert het onderzoek dat zijn bureau deed naar de stadsranden van Zuid-Holland, in opdracht van provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit Eric Luiten. De stadsrand was volgens Luiten tot rust gekomen en hij achtte de tijd rijp voor een nadere kijk. Welke gebieden kan je benoemen als stadsrand en zien ze er overal hetzelfde uit? LOLA ging op onderzoek uit. Het bureau zette alle gebieden met een stadsrandkarakter op een kaart. Wat bleek? Bijna 1/4 van de provincie Zuid-Holland is 'stadrand'. Twintig gebieden werden uitgekozen die een dwarsdoorsnede boden van alle landschapstypen. Door ze te ordenen in tien stadrandtypologiën, zoals 'stortplaatsen', 'loodsenland' en 'de groengordel', konden een aantal conclusies worden getrokken en trends worden benoemd. 

Met de activistische boodschap van Matton nog vers in het hoofd is het lastig objectief naar Pleijsters verhaal te luisteren. Met de provincie als opdrachtgever, en het feit dat het hier een atlas betreft, is op het eerste gezicht het ambtelijke karakter van dit project hoog, waardoor het verhaal van LOLA bijna exemplarisch wordt voor de tegendraadse boodschap van Matton. De kritiek van Matton na afloop van Pleijsters lezing is te verwachten: 'hoeveel leukere stadsranden hebben we nodig en wat doe je daar dan? Je hond uitlaten? Die hond moeten we over twintig jaar opeten!'. Het is jammer dat de organisatie Matton en Pleijster samen programmeerde, want de stadsrandenatlas is een interessant project over een onderwerp waar de laatste tijd veel aandacht voor is geweest. Met een andere medespreker had deze lezing en het thema van de bijeenkomst  beter tot zijn recht gekomen.