Feature —

Hoe gebouwen kunnen doden

Xander Vermeulen Windsant

Waar de eerdere lezingen in de serie Failed Architecture zich meer richtten op het falen van architectuur in het spanningsveld van politiek, economie, ideologie en sociale relaties, stond deze keer het meer concrete, fysieke falen van architectuur centraal. Hoe kunnen gebouwen en omgevingen op een heel basaal, ‘technisch’ niveau falen? En wat gebeurt er dan met de mensen die in die gebouwen leven?

De Lift, film van Dick Maas (1983)
De Lift, film van Dick Maas (1983)

Sprekers op de Failed architecture #6 waren Peter Luscuere en Hielke Zijstra, beiden verbonden aan de TUDelft. Luscuere nam als eerste meteen stelling: falen kan heel fundamenteel zijn, gebouwen kunnen doden. De titel van zijn lezing was dan ook duidelijk: How buildings kill. Peter Luscure, professor Building Technology en eerder directeur van ingenieursbureau Royal Haskoning, begon zijn presentatie als een echte ingenieur met cijfers. Van de 5.500 ‘onnatuurlijke’ sterfgevallen is bijna de helft, ruim 2.600 keer, het gevolg van ‘ongelukken in de privé-sfeer’. Bijna 1.400 daarvan vindt plaats in gebouwen: voornamelijk in en om het huis en/of verzorgingstehuis. Als plek is dat ruim twee keer zoveel als bijvoorbeeld in het verkeer, waar in 2010 ‘maar’ 640 doden in vielen! De meeste doden komen op het conto van simpele val- en struikelpartijen en andere huishoudelijke ongelukken: iemand mist de laatste trede van de trap of blijft bijvoorbeeld met zijn voet achter een drempel hangen. Zijn gebouwen dan echt zulke ‘deathtraps’? Geprikkeld en ook wel gefascineerd door die vraag laat Luscuere in zijn lezing allerlei scenario’s de revue passeren die in een gebouw tot je dood zouden kunnen leiden.

De veelheid van scenario’s zou je in twee categorieën kunnen indelen. De eerste categorie is de meest spectaculaire die vaak ook het nieuws haalt. Het zijn de gevallen waarin het gebouw op destructieve en dodelijke wijze faalt. Bijvoorbeeld als hele gebouwen of gedeelten van gebouwen instorten, zij het door ontwerp- of bouwfouten. Ook brand of terroristische aanslagen kunnen onder deze categorie geschaard worden. Hoewel dit falen van de gebouwen het nieuws haalt, zijn het tegelijkertijd ook de gevallen waarin het gebouw  niet ‘uit zich zelf’ faalt. Het is bijna altijd door het (moedwillig) handelen van mensen dat een dergelijk scenario waarheid kan worden. Kan je de architectuur dit ‘falen’ aanrekenen?

De tweede categorie falen is minder direct en ‘subtieler’. Het zijn voorbeelden waarin de systemen die ‘op de achtergrond’ hun werk doen in een gebouw falen. Die systemen zijn letterlijk van levensbelang om een goed leefmilieu te maken en zouden daarom een integraal onderdeel moeten zijn van een gebouwontwerp. Niet alleen technisch maar ook conceptueel. Dit is helaas nog steeds niet altijd het geval. Luscuere geeft als voorbeeld de spectaculaire stijging van het aantal mensen dat overlijdt in een hittegolf. In een hittegolf sterven makkelijk 2x zoveel mensen per week als gemiddeld. Vooral ouderen zijn kwetsbaar. Toch is nadenken over koeling in verzorgingstehuizen van recente datum. Dat oude mensen overlijden door een hittegolf, werd niet echt als een probleem gezien: dood gaan ze toch, toch?
Daarmee zijn de elektrische installaties – verwarmings-, koeling- en ventilatiesystemen -een soort ‘life-support’ systemen geworden waar we als mens veel meer dan we misschien beseffen afhankelijk van zijn. En anders dan bij de bouwkundige delen van een gebouw, zie je het niet direct als ze falen. Ze worden ook steeds complexer, meer verknoopt en daarmee ook gevoeliger voor storingen en problemen. In de leidingen kunnen schimmels en bacteriën zich nestelen. De potentieel dodelijke legionellabacterie is daar het bekendste voorbeeld van. De systemen kunnen elkaar ook ‘besmetten’: zo kan een waterlek kortsluiting veroorzaken met brand tot gevolg – de reden waarom de oude faculteit Bouwkunde afbrandde. Maar andersom kan ook. Doordat vroeger het elektrische systeem op de waterleiding geaard was kan het nu gebeuren dat als waterleidingen door kunststof delen worden vervangen,  een kortsluiting elders in huis tot elektrocutie onder de douche kan leiden. 220V is dan potentieel dodelijk.

Hielkje Zijlstra haalt een heel ander soort falen van onze concrete, fysieke leefomgeving aan. Als een archeoloog onderzocht ze de talloze, onopvallende ‘foutjes’ die in onze leefomgeving sluipen. In haar lezing, getiteld Lost in Space,  betoogt ze dat tussen het detailniveau van een gebouw en de grotere schaal van de openbare ruimte en het stedenbouwkundig ontwerp een kloof zit waar het ontwerpen van onze leefomgeving geen aandacht voor heeft. In deze kloof opereren vele partijen die vanuit de logica van hun eigen systemen denken en de fysieke manifestaties van die systemen plompverloren in, om, en op  gebouwen en openbare ruimte schroeven, plakken en monteren. Het ontwerpen speelt hier geen rol, kennelijk. Ze laat voorbeelden zien van elektriciteitskastjes, bewegwijzering, hekjes, camera’s en allerlei andere ‘rommel’ die zijn eigen logica volgt zonder zich iets aan te trekken van de gebouwen of de grotere stedelijke omgeving. Maar ze laat ook ‘reparaties’ zien van ontwerpfouten en de manier waarop gebouw en openbare ruimte op elkaar proberen aan te sluiten. Al deze wel geplande maar niet ontworpen toevoegingen en aanpassingen vormen een ruis in onze leefomgeving. Die ruis is wat Zijlstra betreft een bewijs van een (ontwerp)cultuur die niet met die ruis kan gaan of daarover voor zichzelf geen rol opeist. En daarmee dus op een heel concrete manier faalt. Doordat een facilitaire dienst een camera naderhand op de meest prominente hoek van een gebouw schroeft zullen er niet letterlijk doden vallen. Aan de andere kant is het wat Zijlstra betreft wel meer dan alleen ‘esthetisch onprettig’, het is een reflectie van een gebrek aan duurzame ruimtelijke en culturele eenheid in onze leefomgeving en daarmee een kwestie van (cultureel) ‘leven en dood’. Al die incidenten maken onze leefomgeving tot verbrokkelde lappendeken. En dat stelt al die andere inspanningen in een ander daglicht. Als ‘we’ als beroepsgroep daar geen oog voor hebben falen we ook.