Recensie —

De architectuurgeschiedenis van Nederland

Ed Taverne

Recent verscheen Town Planning in the Netherlands since 1800. Responses to Enlightenment Ideas and Geopolitical Realities, een nieuw boek van Cor Wagenaar. Met deze geëngageerde stads- en stedenbouwgeschiedenis stuurt Wagenaar aan op een radicale breuk in de historische beeldvorming van continuïteit en verandering in de Nederlandse stad.

Wat hebben architectuur en stedenbouw eigenlijk met geluk te maken? Is er een  verband tussen het ontwerp van onze hersenen en dat van de gemiddelde stad? Charles Montgomery, een Amerikaans wetenschapsjournalist, denkt van wel en surft mee op de populariteit van het hersenonderzoek bij het verklaren van gevoelens van geluk en onbehagen die gebouwen, ja hele steden bij mensen kunnen oproepen. In een binnenkort te verschijnen boek Happy City wil hij laten zien waarom bijvoorbeeld de absolute stilte op een plein, een gang of hal, mensen afschrikt, imponeert en tot nederig fluisteren dwingt. Een dergelijke ervaring bracht Rem Koolhaas kort geleden onder woorden toen hij geïnterviewd werd in het nieuw hoofdkantoor van Der Spiegel in de Hamburgse HafenCity. Al heb ik zo mijn twijfels over het gehalte van een nieuwe wetenschap van het geluk, ik zie wel de cruciale betekenis die het hersenonderzoek kan spelen bij de ontwikkeling van niet alleen ecologisch maar vooral ook psychologisch duurzame gebouwen en steden, en bij het betrekken van stadsbewoners daarbij.

Wat bedoelen we precies met ‘geluk’? Filosofen zijn daar al eeuwenlang door geobsedeerd, evenals dichters en beeldend kunstenaars. En uiteraard ook architecten en stedenbouwers, te beginnen met Vitruvius in de klassieke Oudheid. Wel is het vreemd dat in de gangbare architectuurhistorische handboeken over de bijna vanzelfsprekende samenhang tussen geluk, ruimte en stad, weinig te vinden is. Een van de eerste publicaties waar architectonische geluksvoorstellingen expliciet aan de orde werden gesteld is het door Cor Wagenaar geredigeerde Happy Cities and Public. Happiness in Post-War Europe uit 2004. Geïnspireerd door de romans en essays van de Hongaarse romanschrijver en stadssocioloog György Konrád wordt geluk geassocieerd met ideologisch en geografisch afgegrensde momenten waarop architectuur, stedenbouw en maatschappelijk bestel een vorm van eenheid uitstralen waardoor mensen het gevoel krijgen ergens bij te horen: in een gemeenschap, een stad, plein of een buurt. De transformatie van de Europese stad na 1945 is één van die momenten waarbij geluksvoorstellingen een cruciale rol hebben gespeeld en om dat te bewijzen doorkruisten een leger van deskundigen de Europese ruimte – van Almere tot Tbilisi en van Moskou tot Benidorm – op zoek naar situaties waarin de architectuur de belofte van een betere samenleving in zich draagt.

Een vergelijkbare these ligt ook ten grondslag aan het zojuist verschenen Townplanning in the Netherlands since 1800, dat geen gebruikelijke architectuur- en stedenbouwgeschiedenis van Nederland is – in de zin van een overzicht van plannen, projecten en ontwerpers – maar een zeer ambitieus verhaal over hoe en aan de hand van welke beelden vanuit de architectuur vorm is gegeven aan de Nederlandse samenleving. Daardoor presenteert dit boek zich als complementair aan het Happy Cities and Public-boek waar het ook qua omvang, formaat en vormgeving op is afgestemd, ook al is het door een andere uitgever op de markt gebracht. Door heel nadrukkelijk de architectuur als kunst tot uitgangspunt te kiezen, onderscheidt dit handboek zich van eerdere, soortgelijke overzichten zoals die van Van der Cammen & De Klerk, die stadsontwikkeling in eerste instantie als sociaalruimtelijke planvorming analyseren, als de geschiedenis van de praktijk van en het denken over de ruimtelijke ordening. Hoewel er natuurlijk tal van overlappingen zijn en in beide benaderingen – uiteraard –  vaak over dezelfde ontwerpers, plannen en projecten wordt gesproken, stuurt Wagenaar aan op een radicale breuk in de historische beeldvorming van continuïteit en verandering in de Nederlandse stad. Waaruit bestaat precies die epistemologische omslag?

Het eigenlijke onderwerp van het boek is de stad, hier opgevat als publiek domein: als de institutionele, sociale en fysieke omgeving die functioneert als het eigenlijke klankbord voor de architectuur. Het publieke domein is voor de architectuur wat de concertzaal voor de muziek is. Die keuze leidt tot een geëngageerde stads- en stedenbouwgeschiedenis, waarin politiek, het sociale, de economie en het culturele niet simpelweg als context worden opgevoerd maar omgekeerd, als feiten, data en gegevens die immanent zijn opgenomen in een stedelijke, publieke architectuur en die daarmee haar maatschappelijke karakter bepalen. Met deze magistrale base-jump positioneert de architectuurgeschiedenis zich niet alleen als verbindende schakel tussen de ruimtelijke (planologie, geografie) maar vooral ook met de sociale wetenschappen zoals geschiedenis, economie en sociologie. Dat is volgens mij de onderliggende theoretische ambitie van het boek, die ook terug te vinden is in de compositorische opbouw, in de eigenzinnige chronologie en in de keuze van de actoren, waarbij architecten het moeten opnemen tegen filosofen, kunsthistorici, politici, bestuurders en ingenieurs.

Het boek opent met een proloog van bijna honderd bladzijden waarin de transformatie wordt geanalyseerd van de zeventiende-eeuwse, boekhoudkundige en militair-technische praktijk van stadsuitleg naar vormen van stadsaanleg en stedenbouw omstreeks 1800 die nadrukkelijk openbaar zijn in de zin van dienstbaar ‘aan het nut van ’t algemeen’. Het gaat om ‘aarzelende’ projecten zoals de transformatie van voormalige fortificaties tot recreatieve ‘stadswandelingen’ in steden als Utrecht, Haarlem en Breda die deel uitmaken van het door de Verlichting teweeggebrachte nieuwe besef van de omgeving als zowel institutionele, sociale als fysieke ruimte. Natuurlijk is de impact van het Verlichtingsdenken op de negentiende-eeuwse stadsaanleg in Nederland al eerder gesignaleerd: in de boeken van Auke van der Woud en heel nadrukkelijk ook in het werk van Len de Klerk. Maar Cor Wagenaar doet toch iets meer: hij analyseert heel gedetailleerd hoe filosofische denkbeelden zich verbinden met politiek handelen, welke kanalen er worden gebruikt om de publieke opinie te beïnvloeden, dringt door in de talloze genootschappen met hun praat- en discussieprogramma’s, wijst op de betekenis van kranten en de eerste musea, en komt uiteindelijk terecht in Friesland, waar het schrijven van revolutionaire pamfletten en agenda’s, zoals K. Kamminga’s Geene Heeren Meer! Zalige Egalité uit 1795, hand in hand ging met de landschappelijke herinrichting van klassieke tuinen en het opruimen van landadelijke staten en stinsen. En hij kondigt hier alvast aan hoe dit soort opvattingen over vrijheid, het zich willen losmaken uit verstarde politieke en maatschappelijke structuren, ook later, bijvoorbeeld in de zestiger jaren van de twintigste eeuw, de eigenlijke inhoud zullen gaan uitmaken van allerlei vormen van architectonisch en stedenbouwkundig activisme.

Dat laatste zou de indruk kunnen wekken dat Wagenaar op bijna Hegeliaanse wijze de triomftocht van de discipline stedenbouw als een alles omvattend, maatschappelijk evolutieproces beschrijft. Het tegendeel is waar. Het grootste gedeelte van het boek bestaat uit zeven hoofdstukken waarin de zeven geopolitieke clusters worden uiteengezet waar het denken over en de praktijk van inrichting, vormgeving en gebruik van de ruimte, in steeds wisselende constellaties, onderdeel van uitmaakt. Zeven historische episodes die ieder afzonderlijk openen met een kaart van Europa waarop de geopolitieke verschuivingen binnen Europa te zien zijn en waar, heel welsprekend, Nederland vaak nauwelijks op terug te vinden is. In de tekst gaat het in deze hoofdstukken om het zo precies mogelijk traceren van de doorwerking van internationale en nationale politieke, intellectuele en artistieke bewegingen in concrete, historische situaties waarbij de architectuur (stedenbouw) wordt onderzocht op ‘het bij de tijd zijn’, in de zin van artistiek bemiddelend ten aanzien van de maatschappelijke – politieke, sociale en economische – werkelijkheid van dat moment. Dat levert in de verschillende hoofdstukken vaak spannende trajecten op. Kortheidshalve beperk ik me tot een enkel voorbeeld.

Wagenaar analyseert in zijn boek niet alleen de ontwikkelingsgang van de architectuur als wetenschap – als thesaurus van kennis, praktijken en ervaringen – maar ook als autonome, esthetisch-expressieve discipline. Die ontwikkelden zich in Nederland lang via gescheiden trajecten, zoals hij aantoont in het eerste hoofdstuk over de beginjaren van het Koninkrijk (1830/1848). Daarin laat hij zien hoe de locale elites, politici en ondernemers van de grote steden gevangen bleven in dromen over een renaissance van de Gouden Eeuw, en in die geest even ambitieuze als onuitvoerbare (uitbreidings)plannen bleven maken. In die jaren lag het creatieve moment van de architectuur en stedenbouw niet in de steden, maar in de politieke, institutionele en economische hervormingen die op nationaal niveau werden doorgevoerd. Drijvende kracht hierachter was Jan Rudolph Thorbecke (1798-1872), een Europees denkende staatsman in een introvert Nederland. Thorbecke was een filosoof in de politiek en veel van zijn ondernemingen zoals de bestuurlijk-administratieve normalisering van steden (afschaffing van locale privileges; herdefinitie van gemeentelijke taken) of de uitbouw van een nationaal communicatiesysteem (infrastructuur) staan in het teken van typische Verlichtingsidealen over het afbreken van gevestigde politieke, godsdienstige of economische obstakels en het openbreken van het publiek domein als een voor ieder toegankelijke voorziening. Een door de politiek afgedwongen project van nationale eenwording dat zich in de tweede helft van de negentiende in economische zin (industriële revolutie) als een natuurwet voltrekt. In de twintigste eeuw vormt het de grondslag voor het modernistisch project om vanuit de architectuur stad en samenleving te ordenen en te beheersen.

Dat project is, zo blijkt uit de twee laatste hoofdstukken, in de afgelopen twee decennia aan zijn eind gekomen. De architectuur heeft ten opzichte van de samenleving haar vormend en organiserend vermogen verloren. Architectuur kan, in de woorden van Koolhaas, de samenleving hooguit ‘articuleren’. Daartegenover staat de – eveneens in dit boek beschreven – gelijktijdige wederopleving van de wetenschappelijke bestudering van haar geschiedenis, met name aan de beroepsopleidingen in Delft en Eindhoven. Dit handboek is daarvan het eerste bewijs.