Recensie —

Het ontwerpen van woningen

Jeroen Visschers

De publicatie Het ontwerpen van woningen wil niet alleen een handboek zijn voor architecten, maar ook voor architectuurstudenten, projectontwikkelaars en opdrachtgevers. Dat is geen geringe opgave. De herziene uitgave uit 2011 legt nog eens zo’n honderd pagina’s bovenop de al lijvige eerste druk uit 2008. Vooral de hoofdstukstructuur werd herzien en op een aantal punten fors uitgebreid met toevoeging van nieuwe referentieprojecten. De doelstelling bleef echter ongewijzigd.

Grofweg valt het boek in drie delen uiteen. De eerste twee hoofdstukken zijn inleidend en beschrijvend van aard. Enerzijds wordt het wonen als architectonische opgave hier ingebed in een meer cultuurtheoretische en -historische context, anderzijds wordt de typologische indeling van de verschillende ontwerpinstrumenten als raamwerk van het boek geïntroduceerd. Het omvangrijke middendeel beschrijft het ontwerpinstrumentarium van de woningopgave, uitgesplitst naar de verschillende schaalgebieden ‘Woning’, ‘Woongebouw’ en ‘Stedelijk ensemble’  en de materiele expressie van de typologieën in het hoofdstuk ‘Tektoniek’. Het hoofdstuk ‘Context’ vormt een wat vreemde eend in de bijt omdat het zich vooral op de analyse van de fysieke context van de opgave richt.

Tot slot wordt aan de hand van drie grote projectbeschrijvingen van achtereenvolgens Piraeus van Hans Kollhoff en Rapp+Rapp, Logements PLUS van Badia Berger architectes in Parijs en Le Midi van Geurst & Schulze het ‘Ontwerpproces’ behandeld. Hoewel de drie beschrijvingen uitvoerig zijn, wordt het ontwerpproces zelf niet in een typologisch raamwerk gevat. De auteurs lijken zich hiervan bewust: “Zo zien we dan ook dat bij gerenommeerde architecten het (ontwerp)proces grillig verloopt.” En even later: “Dit hoofdstuk wil geen standaardprocedure voor het ontwerpproces voorschrijven.”
“Wie op verschillende architectenbureaus heeft rondgekeken, weet dat elk bureau zijn eigen werkwijze en aanpak heeft”, staat er. Het had dan ook interessant kunnen zijn als de auteurs die handschoen hadden opgepakt en het hoofdstuk ‘Ontwerpproces’ was ingedeeld naar ontwerpmethodieken, houdingen en opgaveninterpretaties. Juist van de vertaling door de architect van de woonopgave naar een architectonische ontwerpopgave valt veel te leren.

Typologieën
Het middendeel van het boek is inhoudelijk veruit het sterkst. De abstrahering van het ontwerp tot een configuratie van programmatische zones en ruimtelijke volumes maakt het mogelijk om over typologische schema’s te praten. De ruimtelijke organisatie van de woning (stapeling van volumes en schakeling van zones) en de ontsluiting ervan, worden gecategoriseerd en gekoppeld aan referentieprojecten uit het recente en verre verleden. De projectbeschrijvingen zijn kort en informatief. Hoewel de inleidende paragraaf duidelijk maakt wat de keuze voor specifieke typologische schema’s betekent voor de woning, ontberen de projectbeschrijvingen deze terugkoppeling. In de inleiding wordt – bijvoorbeeld – de relatie tussen de daglichttoetreding via de gevels en de configuratie van de programmatische zones gelegd. De projectbeschrijvingen leggen deze relatie niet of nauwelijks. Daarmee wordt een kijkje in de keuken van de ontwerpers gemist en dat is jammer.

Vanuit het oogpunt van het handboek als leerboek kan nog een kritische kanttekening bij de projectbeschrijvingen gezet worden. Elke project is voorzien van plattegronden, interieur- of exterieurfoto’s en vaak een doorsnede. De verzamelde beelden zijn niet gelijkvormig. Soms zijn de plattegronden neutraal en overzichtelijk van opzet, maar te vaak ook geheel onleesbaar door maatlijnen en markeringen zoals het Nexus World Housing project van OMA. Om de typologische schema’s te kunnen herkennen in de woningbouwvoorbeelden, had het meer voor de hand gelegen om alle projecten in gelijke penvoering te laten illustreren in abstracte plattegronden en doorsneden. Nu zijn de projecten lastig onderling te vergelijken.

Tektoniek
De tektoniek van het woongebouw wordt beschouwd in vier lagen in het gelijknamige hoofdstuk en omvat de draagconstructie, huid, enscenering (o.a. bekleding van het interieur, binnenwanden en -deuren) en voorzieningen, vrij naar Francis Duffy’s site, structure, skin (of shell), scenery en services. Interessant is de categorisering van gebouwtypen naar verschillen in tektoniek die vertaald zijn in duidelijke schema’s. Zo wordt de draagconstructie onderscheiden in monoliet-monoliet typologieën (dragende gevel, dragende scheidingsmuur en massieve vloer en doosconstructies), monoliet-skelet, skelet-monoliet (zoals het beroemde plan Dom-ino van Le Corbusier) en skelet-skelet. Ook hier worden referentieprojecten aangedragen om de werking van de verschillende typologieën te duiden.
De kracht van dit hoofdstuk schuilt in het verlenen van betekenis aan de architectonische typologieën. Waar in de eerdere hoofdstukken de beschouwing van de ruimtelijke configuratie van het woongebouw nog vrij programmatisch van aard is, maakt de beschouwing van tektonische typen het mogelijk om over de uitdrukking van de architectuur te praten en deze te koppelen aan verschillende specifieke grondtypen.

Het hoofdstuk heeft ook een duidelijke overlap met Leupen’s eerdere boek Time-based Architecture (Uitgeverij 010, 2005). In dat boek bouwt hij het denken over vervangbaarheid en levensduur van gebouwdelen voort op Habraken’s idee van drager en inbouw en Duffy’s kernbegrippen. Omdat de betreffende gebouwdelen allemaal een andere gemiddelde levensduur hebben – site: virtueel oneindig, structure: meer dan 75 jaar, shell: 50-70 jaar, services: 15 jaar en scenery: 7 jaar – zou het verbinden van de tektonische typologieën aan het debat over duurzaamheid waardevol zijn. Daarmee wordt het immers mogelijk om de duurzaamheid van een architectonische expressie te bekritiseren. Deze kritiek wordt hier echter niet expliciet bedreven. Wellicht is dit hoofdstuk rijk genoeg om uit te breiden tot een op zichzelf staande publicatie.

Theoretische inbedding
Waar het middendeel het sterkste deel van het boek is, vormt het introducerende hoofdstuk de zwakste schakel. De inleiding op de typologische analyse van woongebouwen is adequaat, maar als leerboek voor studenten oppervlakkig. Vanzelfsprekend wordt de lijn opgespannen vanaf de achttiende en negentiende eeuw met Quatremère de Quincy en Argan, maar komt de theoretische inbedding van begrippen als model, type, typologie, typologische- en morfologische reeks niet sterk uit de verf. Toch is het voldoende voor een handboek dat vooral een praktische handreiking wil zijn voor ontwerpers.

Meer kritische noten kunnen gezet worden bij het hoofdstuk dat een cultuurtheoretische inbedding van het woonvraagstuk nastreeft. Het modernistische debat omtrent het wonen wordt aangezet met de introductie van Heidegger, Benjamin, Berman, Koerse en Heijnen. Deze verdienen echter meer tekst en uitleg dan Leupen en Mooij kunnen geven in de beperkt beschikbare ruimte. De enigszins obligate introductie op het wonen had, wat mij betreft, kunnen worden weggelaten. Hilde Heijnens Architectuur en Kritiek van de Moderniteit uit 2001 (oorspronkelijke engelse editie uit 2000) biedt de geïnteresseerde lezer meer inzichten in het problematisch karakter van het wonen in de twintigste eeuw. Jammer is ook dat de constatering die Leupen van Willem Koerse e.a. overneemt, dat het wonen plaatsvindt tussen het interieur en het exterieur, tussen de private en publieke conditie van woning en stad, niet geleid heeft tot een analyse van morfologische reeksen van de overgang tussen beiden.

Het ontwerpen van woningen is een waardevol boek voor studenten, ontwerpers en wellicht ook opdrachtgevers. Het boek is sterk in de pragmatische houding waarmee het ontwerpinstrumentarium beschreven wordt dat de ontwerper in staat stelt de architectuur van woningbouw tot expressie te brengen én om – heel banaal – het programmatisch probleem van de opgave op te lossen. Alle kritische kanttekeningen ten opzichte van de illustraties, de projectbeschrijving en de theoretische inbedding ten spijt, kan het boek zich zeker meten met die andere standaardwerken zoals de Floor Plan Atlas en Modern Housing Prototypes.