Feature —

‘Not complicated!’

Bjorn Houttekier

‘In making architecture I want to use as much of the piano as possible’, het klinkt toepasselijk in de grote concertzaal van Victor Horta’s Paleis voor Schone Kunsten. Aan het woord is Andrea Deplazes, professor aan het gerenommeerde ETH Zürich, auteur van instant klassieker Constructing Architecture en partner in het Zwitserse architectuurbureau Bearth & Deplazes.

Tijdens een twee uur durende lezing drukt Deplazes in milde termen zijn bezorgdheid uit. Architecten, zo stelt hij, gaan steeds verder het pad op van ideeënmakers die in think tanks basisconcepten voor gebouwen verzinnen om vervolgens beleefd baan te ruimen. Ook architectuurstudenten worden in dezelfde mal van conceptualisme gedwongen waardoor ze onbeslagen de praktijk tegemoet treden. Een boude opening die de toon zet voor de avond. Er volgt dan ook geen wervend oeuvre-overzicht maar een architectuurcontemplatie die actuele vragen beantwoord met zelf verzonnen oplossingen. Het mantra is daarbij niet 'simple' maar… 'not complicated'.

Deplazes' pleidooi is niet nieuw. Vorig jaar verscheen hetzelfde verhaal in het oktober-november nummer van A+ met als hoofdbezorgdheid: waar blijft de ontwerper in een beroep dat zich sluimerend op ander fundamenten verankerde? Vier projecten illustreren deze avond wat hem bezighoudt. Het ontwerp van een kleine woning aan de rand van een traditioneel Zwitsers dorp schuurt meteen tegen allerlei gevoeligheden aan. Zo staan de historisch-stedenbouwkundige mijmeringen van de architecten haaks op de strikt uniforme regels van de dienst Ruimtelijke Ordening. Om alle criteria te respecteren schaven de ontwerpers daarom aan de contouren van de woning totdat een kristalachtige vorm tevoorschijn komt. Aan het zichtbeton dat speciaal voor dit project werd samengesteld, hangt Deplazes zijn betoog op. Zo bestempelt hij de fameuze Swiss Box die eind jaren 90 furore maakte, als technische noodzakelijkheid in plaats van esthetisch modeverschijnsel. Strenger wordende normen vergden een bouwschil die niet langer eenlagig was, maar bestond uit een isolatiepakket gemaskeerd door afwerkingsmaterialen. Omdat Bearth-Deplazes toch met massa aan de gang wilden, testten de architecten een mengsel van schuimglas en beton dat stolde tot een 30 centimeter dik, monolithisch geheel. Een innovatieve schil die structuur, isolatie en afwerking ineen was en al snel commerciële navolging kreeg. Wat Deplazes echter kwijt wil is dat architecten, door zelf materialen te ontwikkelen, zeggenschap over hun gebouwen kunnen herwinnen, zowel over vorm en detaillering – in het geval van de betonhuid overal identiek en dus 'not complicated' – maar ook over de energetische huishouding binnenin. Deplazes' 'ongecompliceerd bouwen' moet constructies behoeden voor de toenemende invloed van regulerende apparatuur. Een worsteling die zich uit in de vraag hoe architecten vermijden dat hun gebouwen steeds meer tot machines verworden waar niet langer zijzelf, maar wel studiebureaus en ingenieurs controle over verwerven.  

Om die scheefgroei tegen te gaan onderzoekt Bearth-Deplazes scenario's die de noodzaak aan externe specialisten  minimaliseert. Het wordt daarbij duidelijk dat Deplazes' betrokkenheid in het onderzoekslaboratorium van het ETH een aanzienlijke rol speelt. Zo demonstreert het ontwerp voor een wijnhuis de rare flirt tussen Zwitserse boerenwijsheid en parametrisch computerdesign dat aan de universiteit werd ontwikkeld. Terwijl de rijpingskamer met eiken vaten zo op de berghelling werd geplaatst dat het wegvloeien van wijn door de zwaartekracht kan plaatsvinden, zorgde een hyperprecieze metseltechniek, aangestuurd door 3D-programmatuur en robotica, voor buitenwanden die tot een verrassend golvend patroon werden verlijmd. Deplazes laat weten dat dit soort ingrepen het mogelijk maakt exact te construeren zonder inmenging van derden – een licht euforische visie waarbij de architect het gebouw digitaal tot de vorm ordonneert die eerder aan zijn geestesoog verscheen. Dat die nogal theatrale macht, ontlokt aan software en processors, ook weerbarstig maar vaak verrassend vakmanschap buiten spel zet is slechts een verre kanttekening. Het nieuwe dictaat lijkt plots 'bouwkunst zonder bouwers, met enkel nog kunstenaars'. Althans, zolang de laptop pechvrij blijft draaien…

Dan zijn de kanttekeningen die Deplazes plaatst bij meer ophef makende materie als die van de mechanische ventilatie van gebouwen interessanter. Want ook voor de delicate sturingen van koelen en ventileren verzon zijn kantoor alternatieven. Zo kreeg een vier etages tellend, rondom met glas bekleed, kantoorgebouw een computergestuurd systeem dat de verluchting via langwerpige luiken in de gevel regelt. Deplazes beroept zich erop dat mechanische geperste buizenlucht hier volledig door de gecontroleerde instroom van ongefilterde buitenlucht werd vervangen, al blijft cijfermatig bewijsmateriaal omtrent de efficiëntie van het systeem achterwege. En een naastliggend pand in aanbouw gaat nog verder in het uitbannen van machinerie. Hier kunnen de gebruikers namelijk zelf bepalen wanneer luiken open of dicht moeten. Een computer grijpt enkel nog in wanneer drempelwaardes overschreden worden. De plaatjes die we van dit kantorencomplex te zien krijgen, willen graag overtuigen: geen airco, nergens valse plafonds, open werkvloeren in contact met de buitenlucht en dat alles volkomen energie-efficiënt. Kortom, architectuur zoals Deplazes ze graag droomt: muzikaal en van alle ruis ontdaan. Logisch daarom dat hij afsluit met een gebouw dat dit streven stoer uitdraagt, al ondergraaft hij er gelijktijdig een eerder geuitte klacht mee.

Terwijl de lichten dimmen, opent onder breedvoerige orkestbegekleiding een promofilmpje van het meermaals gelauwerde Mountain Crystal: een hoekig-blinkende berghut op de Westflank van de Dufourspitze, de hoogste alp van Zwitserland. Het ontwerp stuwde Bearth-Deplazes drie jaar geleden naar de cover van elk architectuurmagazine en positioneerde het kantoor op de voorste rij van 'hip en hedendaags'. Er volgt echter een verrassende mededeling: het gebouw kwam grotendeels tot stand door het denkwerk van studententeams die wekenlang in een energieke ontwerprace waren verwikkeld. Opeenvolgende eliminaties leidden tot een voorstel dat de vondsten van alle vorige versies in zich droeg. Het uiteindelijke model en de achterliggende logica bleken zo overtuigend dat de Zwisterse AlpinistenClub (SAC), die het project bij wijze van uitdaging in gang had gezet,  groen licht gaf om de hut daadwerkelijk te bouwen. Dat Bearth-Deplazes vervolgens als verantwoordelijk uitvoerder werd ingeschakeld wijzigt dan ook niets aan het feit dat kleine, gedreven groepen onder competitiedruk en via veelvuldige interactie tot een intrigerende en ecologisch verantwoorde constructie kwamen. Toch think tanks dus. En wel bevolkt door studenten die met de praktische vingerwijzingen van helikopterpiloten, ingenieurs en alpinisten een wonderlijke stunt verwezenlijkten: een gebouw dat het van brokkelig concept tot baken op granietgrond bracht.

Met die terloopse wending aan het einde van de lezing klinkt de vertwijfelde alarmbel die Deplazes kwam luiden, plots triangelachtig licht. Toch maakt de avond duidelijk dat de bescheiden Zwitser vooral de weerbaarheid van architecten wil vergroten. In zijn boeken door noodzakelijke kennis quasi encyclopedisch weer te geven; in zijn praktijk door technische geheimdoenerij te ontsluieren en waar mogelijk architecturaal van antwoord te dienen. Een zoektocht die schuifelt tussen de positie van alwetende eenling en die van ingehouden dirigent. Het doorwrochte register, zichtbaar in de gepresenteerde projecten toont nauwgezette maar onbuigzame architectuur, met Deplazes als strijdvaardige, zij het soms weemoedige meester.